Over de C. Buddingh’-Prijs en over Arno van Vlierberghe

C. Buddingh’ was een wat burgerlijke dichter met een geinige stem. Een pleaser. Waarom de debuutprijs die Poetry elk jaar uitreikt naar hem is genoemd weet ik niet. Misschien om de jonge dichters aan te sporen net zo truttig te leven en te schrijven als de naamgever? Het zou me, Poetry een beetje kennend, niet verbazen. Lees verder

Advertenties

Fragment uit De dokter en het lichte meisje

De dokter en het lichte meisje verscheen in 1951. Ik herlas het boek onlangs, in een door De Bezige Bij in 1967 uitgegeven zestiende druk. Gek genoeg herinnerde ik me weinig van het boek; en ik was er van onder de indruk alsof het een eerste lezing betrof. Het begint meteen al goed: de openingsalinea:

Op die herfstavond, enkele jaren na mijn artsexamen, zat de lange dikke met twee bijna afgestudeerde collega’s op het spaarzaam verlichte caféterras. Ik kwam aanlopen van de brug, en zij zagen me niet. Voor hen stonden drie geleegde bierglazen. Zij hadden zich warm gepraat en zouden dadelijk wel opstappen. Toen ik na enige aarzeling doorliep, was het mij te moede alsof er iets veranderd was, alsof er een ommekeer had plaatsgehad, die mij nog veel te doen zou geven. Deze verandering voltrok, zich binnen in mij, en zij mij niet zagen, niet in staat waren mij terug te roepen, was als een bezegeling daarvan. Vaak lijkt het zo weinig. Men beleeft het op straat, op een regenmiddag, wanneer een druppel iets te hoog en te zilverig terugspat van het asfalt. Daar rijdt een auto, niet eens door een plas, en van de vluchtheuvel springt een dame en holt een zijstraat in, als zag zij over de tramrails de baarlijke duivel aanrollen. Of er verdwijnt een vogel klapwiekend achter een 18de eeuwse daklijst. En dan ineens is het zo ver. Men is anders. Men wordt opgetild en ergens neergezet. Men voelt zich verlaten, en niet verlaten. Men peinst, over niets, of zo goed als niets. Menselijke aangezichten hebben allemaal die nauwelijks beledigende vraag in zich: ‘Wat doe je daar? O, ik zie het al, je staat daar; je denkt, dat ze je opgetild hebben, misschien is dat toch niet helemaal juist.’ Tot de werkelijkheid teruggebracht loopt men verder, en men vergeet het weer. Maar die druppel en die vluchtheuvel en die dame en die vogel komen altijd terug, in de gedaante die hen past.

In de metro (7)

De man tegenover me leest een boek over het Praag van voor 1968. Hij draagt een bril met dikke glazen, ouderwetse jampotdeksels, en tóch moet hij zijn ogen nog zowat op de bladzijde houden om iets te kunnen zien. Zijn uiterlijk komt ook uit de tijd voor 1968. Hij draagt een pak van corduroy. Bruin. Op zijn ellebogen zitten van die opzetstukken en de knieën van de broek hebben het opgegeven. Jammer genoeg kan ik niet controleren of het zitvlak van de pantalon glimt. Zijn overhemd, ooit wit, is grijs van het vele wassen. Lees verder

In de metro (6)

In station Florenc zijn ze de roltrap die je moet nemen om naar lijn C te komen aan het repareren. Ze, dat zijn twee mannen. In het begin, een maand geleden, stonden ze elke ochtend op de deels opgebroken roltrap en keken naar beneden. Of ze keken niet naar beneden, dan keken ze de passerende vrouwen na. Met de week daalden ze dieper af en op den duur kon je de mannen niet meer zien. En konden de mannen geen vrouwen meer nakijken. Wij, de reizigers, konden wel de diepte in kijken, een diepte nog dieper dan de diepte van de metro is; een diepte die verder gaat dan ik me kan voorstellen, de aarde in, ver voorbij het graf, een diepte waaruit je weer naar boven kunt kruipen. Dat laatste hebben de mannen deze ochtend gedaan. Ze zijn er weer. Ze zitten in hun blauwe overalls op de niet opgebroken traptreden en kijken naar de vrouwen die voorbijkomen. Er komen deze ochtend veel vrouwen voorbij. Of misschien denken de twee mannen dat maar, ze hebben een maand niet kunnen kijken. Lees verder

In de metro (4)

De vrouw die tegenover me zit slaapt.

Ze draagt een mantelpak dat een maat of drie te groot is. De kleur ervan kan ik niet beschrijven. Oker-bruin-paars? Haar gezicht, volledig ontspannen, is een ontroerende ruimte vol rivieren, kades en bruggen. De jukbeenderen zijn skipistes, de oogleden kleine bergweiden met een randje bos. De wenkbrauwen zijn wolken. Haar lippen zijn een gebergte en haar kin is een landtong. Op haar hoofd begint de haarinplant heel dicht bij de neusbrug: naaldwouden. Ze draagt rijglaarsjes en kousen die hun beste tijd hebben gehad, maar wel tot bij mij naar wasverzachter ruiken. Op haar schoot een handtas. Die is wel echt bruin. Lees verder

In de metro (3)

In de metro gebeurt nooit wat, tot alles ineens tegelijk gebeurt.

Er stapt een grote groep mensen in en plotseling is alles geluid. Een rolstoeler rolt naar binnen, hij claimt zijn plek in de hoek, waar ook de kinderwagens mogen staan, en de moeders, die bij de kinderwagens horen. Dan moet de manier waarop iedereen zit of staat worden gereorganiseerd. Soms zijn het hard pratende toeristen die de stilte aan stukken breken en onrust brengen. Geïrriteerde blikken en nog iets verbetener lippen van de forensen. In de metro wordt hier niet, of nauwelijks, en dan alleen op gedempte toon, gesproken. Wie zich daaraan onttrekt is overduidelijk niet van hier. Lees verder