In de metro (23)

In de metro is iemand een kerstlied aan het zingen. In het Duits. Stille Nacht. Ik neurie een beetje mee, tot de Starbucksbeker onder mijn neus wordt gehouden. Ik heb geen muntjes bij me en kijk weg. Nog steeds neuriënd. Ik denk aan het Ikeaglas gevuld met allemaal stukken van 1, 2 en 5 kroon, in de keuken. Neem toch eens af en toe een paar van die dingen mee, voor gelegenheden als deze. Maar nee… Als ik bij de Starbucks ben, zeg ik altijd dat ik Christ heet, om verwarring rond mijn naam te voorkomen. Soms staat er dan ‘Kris’ op de beker, of zelfs ‘Chris’. Meestal wordt het toch zoiets als ‘Isshish’ of ‘Indris’. Het is gewoon een kwestie van wachten tot de juiste koffie voorbij komt. Lees verder

Advertenties

Fragment uit Ze zullen denken dat we engelen zijn

De nieuwe roman van Bert Natter is voor zover ik weet de eerste Nederlandstalige roman waarin een terroristische aanslag in Nederland wordt gepleegd. En wat voor één. En hoe beschreven! Twee van de mensen die daarbij betrokken zijn, ontmoeten elkaar tijdens die aanslag en raken verwikkeld in wat enige tijd op een beginnende relatie lijkt. Wie zijn zij? Hij is een man wiens leven niet helemaal lekker verloopt. Hij is chauffeur van een busje dat gehandicapte kinderen naar hun dagverblijf brengt. Ooit had hij echt werk en een leven. Er is iets met zijn verleden, maar wat? Zij is een min of meer gelukkig getrouwde vrouw, die na de aanslag verliefd wordt op de man. Net zoals hij verliefd wordt op haar.

Maar is het wel liefde? Of is er hier iets anders aan de hand? En zo ja, wat? Kortom, we weten het niet, zelfs niet als we Ze zullen denken dat we engelen zijn hebben gelezen. Ik denk dat deze roman, na Remington, mijn favoriete Natter is. Hij is op zijn best als hij een beetje gejaagd verteld over levens die tijdelijk, of voorgoed, op een zijspoor zijn beland. Over mensen die hun leven weer proberen terug te krijgen. Soms met succes, soms niet. In deze roman zijn dat, misschien, twee engelen. Wezens die plotseling opduiken en leven kunnen brengen, maar ook de dood. Een fragment:
Lees verder

Stippe stappe stippe stap

Het Sinterklaasfeest is voor mij al een jaar of vijftien omgeven met melancholie en tristesse, vanaf het moment dat ik opnieuw in gezinsverband pakjesavond begon te vieren, iets wat nu weer voorbij is, maar dat is een ander verhaal. Ik heb me in mijn leven op weinig meer feesten meer verheugd dan op pakjesavond en na afloop was ik altijd terneergeslagen, ongeveer zoals elk beest verondersteld wordt droef te zijn na de coïtus. Daar zat ik, jaar in jaar uit, met mijn cadeautjes en mijn kop chocolademelk en een stukje boterletter en maagzuur van de speculaas en de pepernoten; als ik het voor mij geschreven gedicht nog eens doorlas, sprongen de tranen me in de ogen. Niet omdat het gedicht zo slecht was, maar omdat de inhoud ervan zo goed bedoeld was dat mijn emoties er niet tegen opgewassen waren. Wie zoet is, wordt gemarteld. Lees verder

Jitka, Pasen en Pinksteren

Jitka houdt niet van veel eten. Ze ontbijt met een smoothie, eet om twaalf uur ’s middags een bakje sla en voor acht uur in de avond neemt ze haar laatste maaltijd: een stukje vis met groenten. Soms neemt ze tussendoor chocolade of fruit. Als ze meer eet, voelt ze zich ongelukkig. Ze wil gezond leven.

Na het avondeten rookt ze een sigaret en in de avond drinkt ze een fles wijn. Dat drinken gaat heel snel, alsof het stiekem moet. Lees verder

Vrees niet. Ik was zo warm als jij.

Soms is het heel gek om je eigen werk terug te zien. Ik heb al jaren geen gedichten geschreven, nou ja, bijna geen gedichten, en toen Bert Bevers me op zijn blogpost wees, was ik eerst even in de war. Die kop op die foto, dat ben ik. Het boekje dat hij noemt, het is ooit verschenen. Maar dat gedicht, hoe zat het daar ook weer mee? Het had, geloof ik, ooit in een bundel gestaan en werd daarna geselecteerd voor deze kleine bloemlezing. In welke bundel? Dat kan ik hier niet opzoeken, ik gok Oudegracht. Het heeft ook nog op een nieuwjaarskaart van een literaire stichting in het zuiden van Nederland gestaan, lekker vrolijk.

Het lezen van het gedicht maakte me toch wel blij, in zekere zin. Als ik nog veel gedichten zou schrijven, zou ik best een aantal van dit soort gedichten willen schrijven. Het is een gedicht waarvoor ik heb geleefd én liefgehad. Om niet, uiteraard, al duurde deze liefde wel lang (en kostte zij mij bijna een slokdarm). Vooral de slotstrofe doet me goed. Ik hoop dat ik, als ik later ooit echt in mijn graf lig, nog steeds zo over deze liefde kan denken, zelfs al ging zij voorbij. (En dit allemaal omdat Bert Bevers voor zijn kast ging staan en een bundel tevoorschijn haalde.) Lees verder

In de metro (22)

In de metro zit een dwerg. Ik weet niet of je het woord ‘dwerg’ nog mag gebruiken, maar hij is wel een dwerg. Hij draagt een felgeel jack en een zwart-wit-rode muts met afbeeldingen van Darth Vader erop. Het is een vrolijke knaap. Hij lacht vaak, vooral als zijn naast hem zittende oma iets zegt. Zij lacht niet, zij is nog een Tsjechische van de oude stempel. Elke keer als de dwerg lacht, kijkt ze om zich heen. Lees verder

The ballad of Buster Scruggs

Als een ‘gewone’ film een roman is, is The ballad of Buster Scruggs van de gebroeders Coen een verhalenbundel. En wat voor één! Of eigenlijk: Ja, wat voor één? Dat is nog niet zo gemakkelijk te zeggen. Wat wel zeker is: de zes losse verhalen hebben allemaal iets met elkaar te maken (duh!). Ik weet alleen niet precies wat. In een interview dat Bret Easton Ellis hem afnam, zegt Quintin Tarantino dat hij het script van een film als een apart kunstwerk ziet, los van de film die het moet worden. Soms schrijft hij dingen in het script die erin horen, ook al weet hij van tevoren dat ze de film niet halen. De tekst vraagt erom. Ergens, als de tekst en het beeld elkaar ontmoeten ontstaat, als het goed is, cinema. (En vanaf nu ga ik dingen uit de film verklappen, dus wie dat niet wil lezen moet niet op de link hiernaast klikken. Lees verder