Lezen: Govert Derix

‘Schrijvers zijn gevoelsarme perverten, – ze leven op maar één niveau van het menselijke bewustzijn. Dat, waarop ze zich onmiddellijk en alleen maar afvragen of dat wat ze meemaken bruikbaar is voor de roman die ze onder handen hebben.’ Aan dit citaat van Jeroen Brouwers (uit Het is niks) moest ik denken toen ik de nieuwe roman van Govert Derix las, Mensheid is een brief voor jou. Eigenlijk dacht ik: Had Govert Derix zich in dit boek maar meer een pervert betoond, en had hij de kennis die hij in zijn leven heeft verzameld, zonder haar goed te verteren, maar even terzijde geschoven. Lees verder

En dat jonge vrouwen overal de ramen wasten

In de Knipscheer meldt: In de hommagebundel voor Rogi Wieg In de kring van menselijke warmte dragen 100 dichters uit het Nederlandse taalgebied een gedicht op aan Rogi Wieg. Te laat voor de hommagebundel attendeerde Albert Hagenaars de uitgeverij op het feit dat ook Jan Kostwinder (1960-2001) een gedicht schreef voor Rogi Wieg. Het zou in de jaren negentig gepubliceerd zijn in het literaire tijdschrift Adem en werd in 2003 door samenstellers Hein Aalders en Chrétien Breukers opgenomen in Kostwinders verzamelde gedichten Alles is er nog. Lees verder op de website van In de Knipscheer >> Kostwinders prachtige gedicht staat hier.

Lekkere wijn kopen

Gisteren had ik plotseling helemaal genoeg van de minder dan matige kwaliteit van de wijnen die je hier in de supermarkt kunt kopen. Ik zou tevreden kunnen zijn en me kunnen beperken tot de pils, die weer geweldig goed is. Maar ik had zin in echte wijn en ik wist dat elke fles die ik in de Albert of de Tesco of de Lidl zou kopen een vocht zou bevatten waarmee je in Fukushima een reactorkern kunt koelen. Dus ik zocht op internet naar een goede wijnbar en zie, die bleek zich op loopafstand van mijn appartement te bevinden. Vinvin. Je kunt er ter plekke drinken en je kunt er wijn kopen om mee te nemen. Om vijf uur liep ik erheen. Het was niet druk, maar alles ademde een beschaafde sfeer. Ik proefde Tsjechische wijnen, heerlijke wijnen, sommige vol karakter, andere weer iets strakker en afstandelijker. Ik at een bordje met kaas en worst en ham, waarbij heerlijk zelfgebakken brood werd geserveerd, ik sprak met mede-gasten, ik las wat in een boek, kortom, ik baadde me in een sfeer die ik niet nodig dacht te hebben en die ik gisteren plotseling heel goed kon gebruiken. Soms wil zelfs ik in de watten worden gelegd. Het meisje dat ons bediende wist niet veel van wijn, maar ze was wel erg lief. En knap, ook al had ze haar haren lelijk-rood geverfd. Ze schonk de wijn alsof ze cola serveerde en zelfs dat wist geen van de gasten af te schrikken. We zaten allemaal heel even op een eiland waar andere wetten gelden, al wist geen van ons wélke. Omdat ik het plezier van mijn aanwezigheid daar wilde verlengen, kocht ik vier flessen Tsjechische wijn. Het meisje deed ze netjes voor me in een doos. De honderd kroon fooi die ik gaf, wilde ze eerst teruggeven. Pas toen ik zei dat het een tip was, begreep ze het. Ze lachte niet. Ook bedankte ze me niet. Daar was ik haar dankbaar om. De toeristische gehaaidheid was nog niet over haar neergedaald. Een zegen.

Ik zag een pop op televisie

Ik zag een pop op televisie. Ze was mooi aangekleed. Ik had toen ik heel jong was ook een pop. Die heette Petra. Soms naaide ik zelf een jurkje voor haar. Mijn pop was minder mooi gekleed dan de pop op televisie. Ze droeg een wit truitje met leuke frutsels, de pop op televisie bedoel ik, een lichtgrijs jasje en een strakke spijkerbroek. De schoenen kon ik niet zien, maar daar zaten ongetwijfeld hakjes onder. Alles aan de pop ademde hakjes. De pop presenteerde een praatprogramma met gasten die de pop allemaal mooier moesten laten uitkomen, ze weerkaatsten het licht dat de pop op ze wierp. Een politicus, een grappenmaker, iemand die zichzelf journalist noemt, juryleden voor een televisieprijs (hier betreden we het spiegelpaleis, dat televisie ook kan zijn) en zelfs gewone mensen, al hadden die wel iets bijzonders gedaan (of kunnen doen). Mijn Petra had maar één blik. Een beetje mysterieus keek ze de hele dag voor zich uit, volledig verzonken in haar poppenwereld. De pop op televisie keek als een mens. Voor elke situatie had ze een andere blik ingestudeerd. Als ze verdrietig moest zijn, trok er een waas over haar ogen en leken de tranen niet ver weg. Soms lachte de pop en sloeg ze een guitige toon aan. Als er iets ingewikkelds werd besproken, keek ze buitengewoon intelligent van zich af. Soms deed de pop op televisie alsof ze verontwaardigd was en de onderste steen boven wilde krijgen, van elk gebouw dat haar eventueel in de weg kon komen te staan. Als Petra moe was, legde ik haar in een poppenbed. Ik vroeg me gisteren af of de eigenaar van de pop op televisie wel goed voor haar zorgt – of er ergens een poppenbed staat waar ze in mag uitrusten, nadat de eigenaar haar een pyjama met streepjes heeft aangetrokken. Eindelijk verlost van die kittige kleding. Ze is moe, de pop op televisie, het valt niet mee om avond aan avond menselijke emoties te veinzen; ze draait zich nog één keer om en slaapt. Eindelijk een pop.

In stilte de was doen

Volgens mij heb ik een buurvrouw, maar die heb ik nog nooit gezien of gehoord. Soms is ’s avonds het licht in haar flat aan. Haar gordijnen zijn altijd dicht en de deur staat nooit open. Waarom ik dan weet dat ik een buurvrouw heb? Ze doet de was. En niet zo’n beetje de was, maar drie dagen per week een flinke. Daarvoor moet ze minimaal drie keer per week afdalen naar de gezamenlijke wasruimte op de begane grond. De was hangt ze vervolgens te drogen op een nogal groot droogrek dat ze op de overloop, waarop van al onze appartementen de voordeur uitkomt, neerzet, precies in de loop van de rest van de bewoners. Soms zie alleen broeken op het rek, soms alleen blouses en hemden, soms alleen jurken en handdoeken. Galante was hangt ze niet in het zicht. Ik moet eerlijk toegeven dat ik heb geprobeerd om door een kier van het gordijn te gluren, in de hoop een glimp van mijn buurvrouw op te vangen. De andere buren ken ik nu wel, in elk geval van groeten. De onderbuurman, een jonge man die elke dag een gesprek met me probeert aan te knopen en helemaal niet gevoelig is voor mijn afwerende houding, integendeel, elke dag lijkt hij blijer om me te zien, is de meest aanwezige van het hele gebouw. Hij groet jan en alleman, en er kan geen vrouw in zijn zichtveld verschijnen of hij begint te glimmen en te kwebbelen. De meeste vrouwen zetten er op de overloop naar hun voordeur flink de pas in, als ze hem moeten passeren. Toch is hij elke keer blij om me te zien, dat zegt hij tenminste, so glad to see you, how are you today, als ik er aanleg voor had zou ik me schuldig kunnen voelen om mijn norse houding tegen hem. Maar hij is me te kontaktfreudig. Geef mij maar mensen die in stilte de was doen.

Een wufte en enorme vrouw in de metro

In de metro zat een dikke vrouw. Ze was echt dik, het is lelijk om te zeggen, maar de vrouw was enorm. Ze bezette twee stoeltjes. Ik stond naast haar. Haar bloemetjesjurk plooide als een tent die nog niet helemaal goed is opgezet over haar heen. Ze rook naar ouderwetse zeep, Sunlight, de hele omgeving werd erdoor besmet. De vrouw was op een iPad aan het chatten. Ik bekeek het van opzij en zag eerst alleen emoticons: lachende gezichtjes, omhoog- en omlaag-wijzende duimen, sigaretten, glaasjes wijn, klappende handjes, het hele circus trok voorbij. Plotseling zag ik hoe ze schakelde naar een nieuwe contactpersoon. Die had bij wijze van profielfoto een plaatje van een enorm groot lid ingesteld. Het lid was, verhoudingsgewijs, net zo enorm als de vrouw. De geur van Sunlightzeep kreeg iets wufts. We bevonden ons in een ouderwets boudoir, het dienstmeisje had de lakens die ochtend gewassen. Ik bekeek de vrouw met andere ogen. Wat ging er door haar heen? Wat schreef ze, in een mij onbekende taal, aan de man (dat nam ik voor het gemak aan) achter het plaatje? Even later schakelde ze opnieuw. Ik zag een robuust uitgevallen Germaan die alleen een boxershort droeg. Zijn lid bleef onzichtbaar, daarom durfde ik iets meer mee te kijken. De vrouw was geïnteresseerd, ik zag haar een heel fotoalbum doornemen, soms lachte ze: de man op een grasveld, zijn spieren spannend, de man achter een barbecue, de man met een hond, ravottend op een strand, de man met een halve liter bier, de man die de handstand deed… Twee haltes voor mijn uitstappunt verhief de vrouw zich. Een zweetlucht, maar ik wist inmiddels waarom ze een beetje geagiteerd was, wat met dit weer enige transpiratie tot gevolg kan hebben, vermengde zich met de Sunlight. Ze schoof naar de deur en verdween, haar woelige avond tegemoet.