Schaamte om Zoetemelk (3)

Nu, zoveel jaar later, nu ik het meer van afstand bekijk, weet ik alleen nog maar zeker dar Zoetemelk de beste Nederlandse wielrenner aller tijden was en is. Hij had de pech dat hij Merckx en Hinault op zijn pad trof, maar heeft desondanks veel en veel verschillende soorten wedstrijden gewonnen; hij bleef fietsen, jaar in jaar uit, en altijd op een hoog niveau. Misschien was ik van mijn 13e tot en met mijn 22e (zo oud was ik toen Zoetemelk ermee stopte, 22 pas, zo jong!) nog niet in staat om zijn zeer nadrukkelijke niet-spectaculaire manier van doen te waarderen. Misschien eiste ik, op grond van mijn leeftijd, ander gedrag van een topsporter dan ik nu doe: wie geen held was en wie zich niet als een held gedroeg, ik bedoel: wie zich niet gedroeg naar het beeld dat ‘ik’ van een held had, telde niet mee.

Als ik hem bezig hoorde en zag tijdens interviews, deze onhandige man die niet uit zijn woorden kwam, dan vond ik dat bijna beledigend, voor mij, voor de kijkers in het algemeen en zelfs voor de interviewer. Ik stelde het gedrag van de interviewer, die op grond van zijn eerdere ervaringen met Zoetemelk kon weten dat deze geen groot prater was, niet ter discussie, sterker nog, ik ging er van uit dat Zoetemelk de plicht had om antwoorden te geven, briljante antwoorden zelfs, in ieder geval minder onbenullige antwoorden dan hij anders gaf, ik ging er van uit dat hij die plicht had als hem iets werd gevraagd – zelfs als hij al ongelooflijk vaak had laten merken dat hij er geen prijs op stelde om te worden geïnterviewd. Lees verder

Schaamte om Zoetemelk (2)

Het kan altijd erger. Op een helaas niet meer functionerende link vond ik ooit een interview met iemand die langer dan vijf jaar volhield: ‘Jazeker. Ik ben een ongelooooflijke fan van de Tour de France sinds het WK van 1948 hier in Valkenburg. Gouden jaren met Theo Middelkamp en Gerrit Schulte. Ah, Schulte,… maar Briek Schotte won. Ik heb de Belgen nogal vervloekt die dag. Sinds 1948 heb ik van alle tours een plakboek met krantenknipsels bijgehouden. Ik moet even naar mijn archief. (…) Voilà, enkele voorbeelden. Alles netjes verknipt, aangeduid, uitgeteld, en dat van dag tot dag. En hier (…) een interview met mij over de Tour. (…) Neem maar mee, ik heb nog wat kopies. Hebt u trouwens mijn collectie van Vélo (het befaamde Franse wielerjaarboek, nvdr) gezien? Volledig! Is een pak geld waard.’ Ik bedoel maar, fan zijn van de tour sinds het WK van 1948, en het is nu 2003: als de man nog leeft heeft hij er sinds juli 2003 zijn 55e plakboek opzitten.

Ik heb al die jaren nooit geloofd in Joop Zoetemelk. Hoe goed hij ook was – en hij was beter dan alle Nederlandse wielrenners die nu nog actief zijn, ja, ook beter dan twee uitblinkers, Michael Boogerd en Erik Dekker, die op basis van hun erelijst nog niet helemaal tot de absolute top behoren – en hoeveel successen hij in zijn carrière ook behaalde, ik wist gewoon dat hij nooit eens echt spectaculair zou uithalen; wat, tegelijkertijd, zijn kracht was, want anders had hij het nooit zo lang volgehouden ­– zijn carrière begon in 1970 en eindigde in 1987. En juist daarom zou hij nooit een grote held worden. Toch nam de verering van het Nederlandse wielerpubliek, zeker na zijn tourwinst in 1980 en na zijn wereldtitel in 1985, soms groteske proporties aan; want het Nederlandse publiek gaat alleen maar over tot massaal eerbetoon na grote sportprestaties of na zinloos geweld (in het laatste geval noemt men dat eerbetoon ‘een stille tocht’ – stil inderdaad, op een oorverdovende manier, en net zo zinloos als het herdachte geweld). Lees verder

Schaamte om Zoetemelk

Ooit, heel lang geleden, in 1975, heb ik een poster van Joop Zoetemelk op de deur van mijn kledingkast gehangen (ik bedoel dus: een poster met daarop de beeltenis van Joop Zoetemelk; om precies te zijn: op die poster was een foto van Joop Zoetemelk die een berg beklom afgedrukt, en volgens mij droeg hij de zogenaamde ‘bolletjestrui’ (*), in de Tour de France het merkteken van de leider van het bergklassement). Zo, dat is eruit. Maar hij of zij die zich nooit eens ergens voor heeft hoeven te schamen, werpe de eerste steen; en graag de eerste keer goed raak, anders duurt mijn steniging te lang.

Lees verder

Een tijger van papier

Een tijger van papier, die in mijn kasten woont,
leeft averechts, achter de banden waar geen mens
om geeft. Hij voedt zich met geschept papier.
Neemt als dessert wat ruglijm en gerezen wit.
Hij mompelt in zichzelf. Lacht met verbeten ernst.
Op even dagen huilt hij woedend naar de maan.

Maar in zijn nekvel woont een ons zachtmoedigheid,
die soms, vermengd met gal, ineens een vers aanzet.
Hij kijkt ernaar. Hij ziet wat regels maatvast gaan.
Een tijger van papier breekt zich het hoofd. Dat duurt
maar een gedicht. Dan zet hij weer zijn tanden in
de banden die hij, ernstig, één voor één verscheurt.

– Voor Gerrit Komrij, bij zijn 66e verjaardag –

Tzum 49 was gewijd aan Gerrit Komrij. Ik droeg een beschouwing bij, die inmiddels online te lezen is, en bovenstaand gedicht.

Lagere school

Vandaag ging onze oudste dochter voor het laatst naar de lagere school. Wat zal ze zich hier later van herinneren, van deze dag? Het contact (voor de laatste maal in die samenstelling) met de medeleerlingen? De persoonlijke brief die ze van haar onderwijzer kreeg?

Zelf herinner ik me vrij veel van de lagere school, maar de laatste dag kan ik niet meer oproepen. Misschien hebben we met meester Kwaspen een klassegesprek gehad? Het zou zomaar kunnen, al was er tijdens onze schooltijd nog geen gedoe met kringgesprekken en de ‘eigen inbreng’ van de leerling. Lees verder

Lezen (76)

Mijn opa had een fraai douche-ritueel, dat hij wekelijks opvoerde. Hij ging, daartoe gedwongen door oma, naar de douchekamer. Daaruit drongen vervolgens gestommel en gesmoorde vloeken naar buiten. Na een kwartier of zo ging de kraan aan, en draaide hij de sproeier open. Ik telde vervolgens tot 20, waarna sproeier en kraan uit werden gedraaid. Mijn opa was weer voor een week helemaal schoon en fris.

Toch rook hij niet vies, mijn opa. Integendeel, hij rook lekker, naar een mengeling van tabak (Hofnar bolknakken, een stuk of 15 per dag) en allerlei lichaamseigen talgachtige dampen. In de middag dronk hij een borrel, en de lucht van jenever gaf daar een fraai accent aan. Lees verder