Het laatste jaar – Dirk van Weelden

Het laatste jaar van Dirk van Weelden gelezen, een roman met als uitgangspunt de vriendschap tussen Martin Bril en Van Weelden zelf. De dood van Bril (in 2009) zet de auteur aan tot een reflectie op het schrijverschap, dat is ontsproten aan de samenwerking tussen Bril en hemzelf en onder meer resulteerde in Arbeidsvitaminen. Het ABC van Bril & Van Weelden (1987) en Piano & Gitaar. De vooruitgang volgens Bril & Van Weelden (1990).

Vanuit ‘een gezamenlijke droom’, het leiden van een schrijvend leven, gaan ze na hun debuut al snel een eigen weg, allebei een weg die past bij het eigen karakter. Die karakters kwamen al in Arbeidsvitaminen naar voren, Bril was de ‘noterende’, op Amerikaanse en Rotterdamse leest geschoeide schrijver van glasheldere, soms sombere prozafragmenten, Van Weelden stelde zich meer op als het filosofische prijsdier. Lees verder

Advertenties

Het eerste gedicht, eerste reacties

Onlangs verscheen Het eerste gedicht, over het lezen van poëzie.  Wat voor een boek is dit? Een citaat: ‘Poëzie lijkt zo alomtegenwoordig, dat je bijna zou vergeten dat het mogelijk is om gedichten te lezen. Dat laatste is dan ook wat Chrétien Breukers in dit boek doet. In veertig artikelen leest hij, daarbij alleen uitgaand van de woorden die een gedicht bevat, eenenveertig eerste gedichten uit eenenveertig Nederlandstalige dichtbundels. Deze artikelen worden geflankeerd door een voorwoord waarin Breukers de positie van de dichtkunst in deze tijd schetst en een drietal artikelen over zijn literaire voorbeeld, de op 5 juli 2012 overleden Gerrit Komrij.’

De eerste reacties zijn afkomstig van Marc van Oostendorp. Op zijn weblog schreef hij onder meer: ‘Maar juist dat onvoorspelbare maakt de charme uit van De Contrabas, en van deze bundeling. Hier is iemand van dag tot dag aan het worstelen met de materie, met de vloed aan bundels die over hem wordt uitgestort en met de vraag hoe het allemaal verder moet. Was ik een recensent, ik zou zeggen: Lees die man. Maar ik ben een blogger en ik zeg: wat een levende knekel.’

Joep van Ruiten heeft in een open brief aan mij kritiek, maar blaast ook op de loftrompet: ‘Laat ik beginnen te zeggen dat ik je een van de beste schrijvers van ons taalgebied vind. Vooral stilistisch. Scherp, origineel, geestig. Jij weet hoe zinnen moeten lopen, jij weet hoe je een lezer geboeid kunt houden. Door van hoog naar laag te gaan, en andersom. Door iets diepzinnigs af te wisselen met iets plats. Kortom, door de mogelijkheden van de taal ten volle te gebruiken – om maar eens iets flapteksterigs op jurytoon te dingesen.’

Rutger H. Cornets de Groot besteedde aandacht aan een voorpublicatie. ‘Breukers pakt zijn lezing van het gedicht op een aparte manier aan, nl. door het – NB na de woorden Ik ga proberen te lezen wat er volgens mij staat – met een ánder gedicht te lezen, van Jos de Haes. Dat kan natuurlijk best, twee gedichten met elkaar vergelijken, maar bij een gedicht dat vanaf de titel al zo zwaar met mythologie beladen is, zou ik liever willen weten wat er zich boven dat systeem van verwijzingen afspeelt. Het is een haast algemene ziekte in de online poëziebeschouwing: de neiging om gedichten vanuit persoonlijke associaties en bibliotheken te lezen.’

Ik ben benieuwd naar de volgende recensies, en ik heb aankomende dinsdag een kranteninterview. Meer info volgt.