Tomáš Rosický in het bijna-donker

Foto: Wikipedia

Op 4 oktober is hij  37 geworden en hij speelt nog, of weer, na een verloren laatste seizoen bij Arsenal. Tomáš Rosický kwam gisteren pas in de tweede helft in het veld voor Sparta Praha. Toen hij aantrad veranderde er iets. Tot zijn komst was het ondanks de fijne sfeer in het stadion een matige wedstrijd. De spelers liepen de hele tijd op een kluitje, hieven buitenspel op als dat helemaal niet hoefde en waren vooral goed in onzuivere passes.

Rosiký maakte daar in zijn eentje een einde aan. Hij liep op het middenveld en gaf de ene fijne bal na de andere, achteloos, alsof hij alleen maar even wilde voordoen hoe het wél moest. Soms omspeelde hij iemand of zette hij een verdediger van Plzeň voor schut. Die lieten dat overigens niet ongestraft passeren, Rosický kreeg de ene schop na de andere. Een beetje eerbied voor voetbalgeschiedenis hebben ze niet in de stad waar de pils is uitgevonden. Zijn acties hadden het karakter van een wuivend korenveld, of van een hert in het bos, in de winter. Totale harmonie. Nadagen-voetbal. Bezonken meesterschap.

De zon was net ondergegaan en de lampen in het stadion flikkerden als sterren die bijna vallen en nog even zo veel mogelijk licht afgeven. Ik voelde de aandrang om even te huilen en om Rosický vervolgens ten huwelijk te vragen. En ik voelde het verlangen om ooit, al was het maar één keer, zo te kunnen voetballen. Om één keer te voelen dat het geen moeite kost. Om de kunst meester te zijn. Uiteindelijk verloor Sparta met 1-0 van Viktoria Plzeň en het was niet eens onterecht. Maar Tomáš Rosický in het bijna donker: dat neemt niemand me meer af.

Advertenties

Daar werd op de deur geklopt

Vorig weekend zondag, aan het eind van de dag, hoorde ik iemand de sleutel in de voordeur steken. Ik dacht dat het mijn huisbazin was, al had die gezegd weken niet aanwezig te zijn. Het geluid verdween. Even later werd er aan de voordeur van het appartement gebeld. Ik schrok en wachtte af. Niemand had zijn of haar komst aangekondigd, het zou wel een vergissing zijn. Er werd nog een keer gebeld. En nog eens. Er werd langer gebeld. Ten slotte werd er op de deur gebonsd. Ik opende de deur en keek recht in het gezicht van een man die zo dronken was dat hij zich vast moest houden aan de muur. Lees verder

Eindelijk zou alles echt beginnen; over een teruggevonden gedicht

Iemand twittert een foto van mijn gedicht ‘Mes’ uit de bundel De Stoofsteeg en andere gedichten, die in 1999 bij Perdu verscheen. Volgens mij heeft Perdu nog exemplaren. Ik had het gedicht jaren niet gezien en er jaren niet aan gedacht, daarom las ik het alsof het van iemand anders was. Ik vind het een goed gedicht, al zou ik het woord ‘beklijf’ tegenwoordig proberen te voorkomen. Het is een agressief gedicht, seksueel geladen, dwingerig, – het is, kortom, een autobiografisch gedicht, zoals de meeste gedichten autobiografisch zijn, maar daarmee is het nog niet ‘echt gebeurd’. Het is autobiografisch omdat het de obsessies die ik had, of heb, probeert aan te raken. Zonder ergens voor terug te schrikken. De tegenstelling tussen het ‘harde’ mes en het ‘zachte’ vlees werkt goed. In de een-na-laatste strofe roep ik het mes op om te smelten, om net als het vlees waarin het ronddraait zacht te worden. De laatste strofe trekt dat weer terug. Niet het evenwicht, maar de agressie is hersteld. Lees verder

Het wachten is op een invitatie van Aad Meinderts/Stichting P.C. Hooft

Heel benieuwd ben ik, naar de open en eerlijke besluitvorming rond de P.C. Hooft-prijzen. De secretaris, Aad Meinderts, en de stichting die de prijs organiseert kunnen dan ook geen bezwaar hebben als ik eens een kijkje in de keuken kom nemen. Toch? De twitterdiscussie over de jaarlijks toegekende oeuvreprijs en Meinderts’ reacties staan hier.

Fragmenten uit De hotelier doet niet meer mee van Simon Vestdijk

‘In de Alpen komt geen fatsoenlijk man, dat zal iedereen met mij eens zijn. Zien wij af van een paar wetenschappelijke onderzoekers, een paar doldrieste veldheren, een paar handelsreizigers, tuk op Zwitserse kaas en horloges, dan is er voor de mens van onze tijd op die ongemotiveerde bodemverheffingen niets te zoeken. Ik vind ze ook niet mooi. Een schilderijtje van de Alpen is gruwelijk.’

‘‘‘Ja,’’ zei hij, waarna hij even opkeek en zijn glimlach liet spelen, bijna guitig, ‘‘als een schande wordt het Bonapartisme hier niet gevoeld, maar men kan er het vuurpeloton mee verdienen.’’’

‘(…) Men hoefde hem maar in een gang of in een kamerdeur te zien staan om te weten, dat dit een der sleutels tot zijn karakter was. De dwergenkoning met het doosje, dat duiveltjes baarde, en waar hij zijn hand ophield om niet de hoop méé te laten ontsnappen. Het hoofd scheef, op de tenen (of op die hoge hakken, die mij vroeger aan toneellaarzen hadden doen denken), de glimlach niet in de ogen, die even goed lokten en beloofden, ‘‘Let op, daar komt het, dat had je nooit gedacht, dit is het, het geluk op aarde, grijp het bij zijn staart, anders vliegt het weg, ik heb er maar beperkte zeggenschap over, let op, let op, en wees mij niet dankbaar…’’ Zo zou hij ook tegenover de Kleine Korporaal staan, wanneer die ooit zo gek was zich van Sint-Helena te laten lokken. Monsieur Trublet was zelf zo’n Kleine Korporaal, de bij- en erenaam past verbazend goed op hem: even klein, even parmantig, en koppig als niets ter wereld, en graag anderen overvallend, met het goede of met het kwade. Daarom hield ik ook van hem.’

Uit: Simon Vestdijk, De hôtelier doet niet meer mee, Nijgh & Van Ditmar, ’s Gravenhage -Rotterdam, 1968