Titus en Cornelia (en Rembrandt en Fiona Tan)

Het is te groot, het Kunsthistorisches Museum in Wenen, te protserig ook, te hoog en te breed en te bont. Na zalen vol met Nederlandse en Vlaamse meesters is het in de derde zaal vol Italianen plotseling genoeg. Ik wil niet meer. Die meesterwerken kunnen me wat, verder, ik moet naar buiten, en snel, het hoofd afgewend voor nog een paar wandschilderingen van Gustav Klimt die me onderweg worden opgedrongen. Op zoek naar de uitgang neem ik de verkeerde afslag en plotseling sta ik weer tussen de Nederlandse meesters, de vloeren kraken onder de vele toeristen, de kunstwerken lijken van muur naar muur te wandelen, de kijker achterna, zodat die steeds hetzelfde ziet. Lees verder

Advertenties

Er is alles in de wereld, en ook Lucebert

Stel je voor: je bent de dichter Lucebert en moet aan politieke windvanen als Simon Vinkenoog en Remco Campert uitleggen dat je de Joden niet zo lief vindt. In de jaren vijftig, kort na de Tweede Wereldoorlog – tijdens welke je vrijwillig in arbeidsdienst was, en brieven schreef die Nietzscheaans én antisemitisch van toon waren. Wat zou jij doen? Ik zou mijn mond houden, tot en met mijn dood, en wachten op de biografie van Wim Hazeu. Niet alleen om het behoud van mijn carrière, maar ook om niet in zinloze discussies verzeild te raken met mensen die geen mening hebben en alleen van richting veranderen als de maatschappelijke wind dat doet. Lees verder

Voor de verre prinses, een jaar later

Een jaar geleden verscheen Voor de verre prinses, een bundel liefdesbrieven bij gedichten. Ik heb een paar keer geprobeerd om een ‘vervolg’ te schrijven. Blijkbaar had ik er een jaar voor nodig. Dit is of de eerste brief van een vervolg, of de slotbrief. Of misschien is de tekst wel iets anders.

totaal witte kamer

Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen –

© Gerrit Kouwenaar Lees verder

Laatste nummer van de Titaan is verschenen

Alle tijdschriften waaraan ik meewerk, verdwijnen. De Titaan, de Tilburgse krant waar ik met zo veel plezier voor schreef, schaart zich nu helaas in de rij van verdwenen projecten, waaraan ik met mijn hele ziel en zaligheid heb bijgedragen. Mijn allerlaatste verhaal in De Titaan begint zo (en is een onder meer een ode op de geboorte- en sterfstad van het tijdschrift: Lees verder

Je gezicht aan de nacht meegegeven – over Ed Leeflang en DBNL

Het ‘De nieuwe titels van februari 2018’ van DBNL vond ik vandaag neerdrukkende lectuur. Niet omdat de titels die werden ingeluid me niet bevielen, integendeel, maar omdat ik plotseling besefte dat veel van die titels uit mijn jeugd stamden en nu definitief uit hun papieren jas zijn gehaald, om te worden toevertrouwd aan de digitale eeuwigheid. Gerrit Komrij en Mensje van Keulen gezellig zij aan zij met Dirk Ayelt Kooiman. Ooit waren hun boeken nieuw, werd er over geschreven en werden ze goed verkocht – nu zijn ze teruggebracht tot scan, platte tekst of e-boek, voor eeuwig zwevend in de serverruimte of in een cloud. Lees verder

Gerald’s game, een ‘relevante’ film

Gezien: de film Gerald’s game. Gemaakt voor Netflix en daarom eindigt hij mierzoet en moralistisch. Dat hoort zo bij grote streamingdiensten, blijkbaar. Het einde is een sof, maar de rest van de film mag er zijn. Het verhaal, geschreven door Stephen King, is een geslaagd voorbeeld van hoe je met heel weinig middelen een ongelooflijk spannend (en ‘relevant’) verhaal kunt opbouwen, zonder gooi- en smijtwerk. De kijker, ik, zit op het puntje van zijn stoel terwijl de hoofdpersoon met twee sets handboeien aan een bed is geketend. Waarom? Lees verder

Gut essen, of: een poging om van Vladislav Vančura te houden

Op verzoek van Johannes van der Sluis schreef ik voor zijn Tzum-rubriek Underground een tekst over de Tsjecho-Slowaakse schrijver Vladislav Vančura. De hele tekst is te lezen op Tzum.

Mijn eerste ontmoeting met Tsjecho-Slowakije verliep via mevrouw Váňová. Ze woonde aan de straat Polska in Praag in een zeer ruim tweekamerappartement in een negentiende-eeuws appartementengebouw. Ik herinner me het trappengebouw, de grote en hoge kamers, de enorme gang waaraan een keuken lag en de ouderwetse bedden waarin mijn toenmalige vriendin en ik sliepen, op matrassen nog van ver voor de fluwelen revolutie, en de bruinkool-gestookte boiler in de badkamer. Het meest herinner ik me mevrouw Váňová zelf. Ze leek erg op een achterbuurvrouw van ons in Leveroy. Ze sprak zeven zinnen Duits en was volgens mij dik in de zeventig. Ikzelf was toen begin twintig, dus ik kan me vergissen. Ze kan er ook oud hebben uitgezien, voor haar leeftijd. Ze droeg overdag een lichtblauw schort en was een groot deel van haar tijd bezig in die keuken. Als mijn vriendin en ik thuiskwamen van een dag rondlopen door de voor ons nieuwe stad, stond Váňová ons al op te wachten. In haar keuken had ze brouwsels van gehakt, tomaten, uien en paprika gemaakt. Die verdeelde ze over twee borden, waarna ze plechtig tot ons sprak: ‘Frau gut essen, Mann auch gut essen.’ Naast de tafel in onze slaapruimte, waar we moesten gaan zitten met onze borden, stond ze te wachten tot we alles weg hadden gelepeld. Mijn vriendin wist zich na twee dagen aan deze corvee te ontworstelen. Na thuiskomst wreef ze over haar buik en zei: ‘Bauch nicht gut. Monatlich.’ Daar had onze kokkin alle begrip voor, maar ik, de man immers, moest zeven dagen aan een stuk eten wat ze me voorzette. Ik leerde de toen nog Tsjecho-Slowaakse, nu Tsjechische gastvrijheid van nabij kennen. In de straat Polska had Franz Kafka nog enige tijd gewoond overigens, op nummer 28 als ik me niet vergis. We kwamen er elke dag, op weg naar mijn maaltijd, langs. Ik keek elke keer naar het huis en zag niets.