I’m goin’ back some day, come what may

Ik droomde dat Roy Orbison nog leefde. Hij woonde in Žižkov en zag er goed uit. Zijn bril en zijn pruik werden regelmatig vervangen en schoongemaakt. Ik sprak hem aan de bar van U Vystřelenýho Oka, waar hij een donker biertje bestelde. Een kleintje. Hij is geen drinker. Toen ik, het duurde even, door had wie hij was, zei ik dat ik sommige van zijn nummers heel bijzonder vind, een vorm van hogere white-trash-kunst, ik snapte heus wel dat het niet als een compliment zou klinken. Roy Orbison bleek geen Engels meer te kennen. Hij sprak Tsjechisch. Lees verder

Er goed verzorgd uitzien

Er stond een zwerver in tram 9. Vlak voor de ingang van de middelste deur. Het was moeilijk te zien of hij een man van kleur was of iemand die erg lang niet onder de douche was geweest. Hij droeg een overhemd met roze streepjes en een lichtblauwe linnen broek. Die stond open, waardoor je bij binnenkomst uitzicht had op de aanzet van zijn geslachtsdeel. Volledige inkijk werd niet geboden. Het gebeurt niet alle dagen dat je de bovenkant van een mannelijk geslachtsdeel ziet, in de tram. Hier niet tenminste. Je ziet wel veel vrouwelijk bloot, maar over het algemeen blijven zowel de secundaire als de primaire geslachtskenmerken met textiel bedekt. Lees verder

Earnest in his Howdy Doody–Teletubby way

Ik las een artikel van Jerry Saltz, uit een oud nummer van The New York Magazine, via Vulture. Ik onderstreepte, in gedachten, deze regels: ‘Of course, I often think that everyone who isn’t making art is a failed artist, even those who never tried. I did try. More than try. I was an artist. Even sometimes a great one, I thought.’ Een prachtig citaat, waar je niks aan hebt als je aan het mislukken bent. In Saltz’ artikel zat een link naar een ander artikel van Saltz, over Jeff Koons (‘Jeff Koons is as earnest in his Howdy Doody–Teletubby way as Francesca Woodman and Francis Bacon. That’s part of what makes his great work great, that willingness to fail so flamboyantly!’). Lees verder

Een park voor verweesde beelden

Foto: Wikipedia

In 1955 werd het Stalinmonument in Praag onthuld. Nergens ter wereld was zo’n enorm beeld van de Vereerde Leider te vinden. In 1962, een jaar of zes na de destalinisatie, die al rond de onthulling op gang was gekomen, zat de stad ermee in de maag. Wat te doen? Besloten werd het gigantische ding op te blazen. Een gigantische Stalin die (nog steeds) uitkeek over de stad, dat gaf geen pas. Het duurde een week voordat de inmiddels tot Bloedige Dictator opgeschaalde representatie van de Georgiër was verdwenen. Ooggetuigen herinneren zich nog de vele ontploffingen in de stad tijdens de ruimingswerkzaamheden. Het voetstuk waarop Stalin en een kleine meute arbeiders stonden, is nog steeds te bezichtigen in het Letná-park. Lees verder

Knuffelen met Eberhard, mens en politicus

Gisteren keek ik één uur naar Zomergasten, daarna kon ik het allemaal niet meer zo goed verdragen. Het is niet te doen om uren te kijken naar politiek-nette fragmenten die met gladde praat aan elkaar worden gelijmd. Dat is het nadeel van het uitnodigen van politici. Die mensen kunnen niet anders. Lees verder

De vermoorde hommel en ‘Do ist der Bahnhof’

1
Vanochtend reisde een hommel mee met de metro. Hij zat eerst op de blote schouder van een vrouw die tegenover me stond. Ik dacht nog: Wat een aparte decoratie en/of manier om een wrat te maskeren. Even later zag ik dat het een echt beest was.

Hij vloog op en begon een toch door het luchtruim. Soms liep hij tussendoor even op de grond. Het duurde twee stations voordat iedereen de hommel in de gaten kreeg. Toen voer de geest van hulpvaardig in een aantal medereizigers, die het beest op een krant probeerden te laten landen, waarschijnlijk om hem vervolgens uit te zetten. Maar ja, zo’n hommel heeft dat allemaal niet door en denkt het in de wereld te kunnen redden op eigen kracht – een jammerlijke misvatting. Lees verder

Humor ist, wenn man trotzdem lacht

Lachen om een krantenbericht, ik doe het zelden. Maar toen ik dit las, lachte ik. Het is helemaal niet grappig, wat daar staat! De man waarover het bericht gaat, sprong met gevaar voor eigen leven voor zijn zoon en raakte gewond. Blijvend! Eigenlijk is hij een held. En toch is er iets, wat voortdurend op mijn lachspieren werkt, spieren die bij mij wel nog allemaal werken. Bij die man niet meer. (Daar ga ik weer.) De locatie waar een en ander zich afspeelde is goed voor een nieuwe lachsalvo. Het Nigel de Jongplein. Nigel de Jong! De enige voetballen zonder lachspieren. Die tijdens de WK-finale van 2010 schopte naar alles wat bewoog. Sommige Spaanse voetballers schrikken er nog zwetend van wakker. Net op dat plein werd Appie Nouri herdacht. Over Appie niets dan goeds, maar dat wisten we al. Het is droevig, ik geef het meteen toe. Zo jong. Zo getalenteerd. Zo eeuwig voortlevend als kasplant. Maar waarom werd hij herdacht met vuurwerk? Wat is daarvan precies de toegevoegde waarde? En waarom werd dat vuurwerk laag afgevuurd? Het is een cocktail van onhandigheid en zinloos (auditief) geweld die het geheel, het spijt me oprecht, komisch maakt. Voor mij dan. De bedoeling van die herdenking was waarschijnlijk goed, maar zij werd uitgevoerd zonder rekening te houden met zaken die de wellevendheid betreffen. Vuurwerk tijdens een herdenking, het heeft iets weg van totaal dronken op een begrafenis verschijnen – en struikelen en in de kuil vallen. Het mooiste is het slot van het artikel: Rachid en zijn familie vragen zich af hoe zoiets heeft kunnen gebeuren, ze ze komen graag in contact met de diegenen die het vuurwerk afstaken. Dat is de aankondiging van jarenlang zinloos procederen en het afdwingen van een schadevergoeding. De een zijn hersendood, en zo voort. (Hier de laatste lach laten wegsterven en serieus kijken.) Ik denk soms aan deze column, van Boudewijn Büch.