Fragment uit Ze zullen denken dat we engelen zijn

De nieuwe roman van Bert Natter is voor zover ik weet de eerste Nederlandstalige roman waarin een terroristische aanslag in Nederland wordt gepleegd. En wat voor één. En hoe beschreven! Twee van de mensen die daarbij betrokken zijn, ontmoeten elkaar tijdens die aanslag en raken verwikkeld in wat enige tijd op een beginnende relatie lijkt. Wie zijn zij? Hij is een man wiens leven niet helemaal lekker verloopt. Hij is chauffeur van een busje dat gehandicapte kinderen naar hun dagverblijf brengt. Ooit had hij echt werk en een leven. Er is iets met zijn verleden, maar wat? Zij is een min of meer gelukkig getrouwde vrouw, die na de aanslag verliefd wordt op de man. Net zoals hij verliefd wordt op haar.

Maar is het wel liefde? Of is er hier iets anders aan de hand? En zo ja, wat? Kortom, we weten het niet, zelfs niet als we Ze zullen denken dat we engelen zijn hebben gelezen. Ik denk dat deze roman, na Remington, mijn favoriete Natter is. Hij is op zijn best als hij een beetje gejaagd verteld over levens die tijdelijk, of voorgoed, op een zijspoor zijn beland. Over mensen die hun leven weer proberen terug te krijgen. Soms met succes, soms niet. In deze roman zijn dat, misschien, twee engelen. Wezens die plotseling opduiken en leven kunnen brengen, maar ook de dood. Een fragment:
Lees verder

Advertenties

Jitka, Pasen en Pinksteren

Jitka houdt niet van veel eten. Ze ontbijt met een smoothie, eet om twaalf uur ’s middags een bakje sla en voor acht uur in de avond neemt ze haar laatste maaltijd: een stukje vis met groenten. Soms neemt ze tussendoor chocolade of fruit. Als ze meer eet, voelt ze zich ongelukkig. Ze wil gezond leven.

Na het avondeten rookt ze een sigaret en in de avond drinkt ze een fles wijn. Dat drinken gaat heel snel, alsof het stiekem moet. Lees verder

Fragment uit Bright Lights, Big City

Als ik de boeken die ik in de jaren tachtig las, herlees, heb ik meestal het gevoel dat ik thuis kom. Niet dat ik de dingen die in Less than zero of Bright Lights, Big City of  zelfs Gimmick! worden beschreven ooit van dichtbij heb meegemaakt, maar er stijgt een mentaliteit op uit de pagina’s die ik meteen herken, alsof ik plotseling door mijn eerste studentenhuis wandel; iemand heeft voor een week nasi gekookt en de geur hangt in het trappenhuis, een geur vermengd met de zeeplucht die uit de douche komt en de brakheid die twee kratten lege bierflesjes, al maanden in een hoek van de gang wachtend op terugkeer naar de SPAR, uitwasemen. Ik ben er weer. Hier was ik thuis. Het was een tijd helemaal zonder internet, maar mét MTV en feestjes en handgemaakte blaadjes waarin zelfgeschreven teksten stonden en feesten die een dag of drie duurden, een tijd waarover je misschien romantisch zou kunnen doen, als hij niet tegelijkertijd zo deprimerend was (en donker, ongeveer net zoals alle tijden dus). In de jaren tachtig werd de naoorlogse periode afgesloten en er werd gepreludeerd op een nieuwe tijd, maar hoe die er precies uit zou gaan zien? Daar probeerde, toen, niemand aan te denken. Het was feest en crisis. Niks aan de hand. Lees verder

Fragment uit The White Album

We tell ourselves stories in order to live‘ – dat is de openingszin van The White Album, een essaybundel van Joan Didion. Wat je ook over het boek kunt zeggen, wit is het niet. Wel ‘gaat’ het, net zoals de gelijknamige dubbelelpee van The Beatles, over het einde van een periode, de jaren zestig, Didion schrijft over zichzelf in die periode, over haar belevenissen als journalist, scriptschrijver, schrijver, getrouwde vrouw, moeder, liefhebster van winkelcentra, al is liefhebster niet helemaal het goede woord. Ze was er een tijdlang door geobsedeerd, zoals uit het essay ‘On the mall‘ blijkt.

Het is het enige stuk waar ik hardop om moest lachen. Niet omdat het een grappig stuk is, maar omdat ze erin uit de kast komt als iemand die ooit fantaseerde over het beginnen van een eigen mall. Als zoon van een kruidenier spreekt mij dit zeer aan. Didion is van alles, maar niet vrolijk. Haar reportages, memoir-achtige stukken en essays zijn soms tot op de rand van het verdraagbare ‘depressief’. Didion schrijft over een tijd die, bij nader inzien, niet heel vrolijk was. Alles en iedereen ging eraan kapot, en toen was alles plotseling voorbij. Lees verder

Fragmenten uit Play it as it lays

Heel lang dacht ik dat Joan Didion een afstandelijke schrijfster is, iemand die als een journalist (of essayist) afstand neemt van de materie die ze behandelt, om vanuit die afstand tot een plaatsbepaling te komen. Nu ik haar meer lees, merk ik dat dat niet waar is. Didion is bijna obsessief betrokken en vanuit die obsessieve betrokkenheid komt ze tot een verhaal — zonder ooit helemaal vaste grond onder de voeten te krijgen. Bret Easton Ellis noemde Play it as it lays vaak een van van zijn favoriete Amerikaanse romans, en nu ik het boek heb herlezen (en opnieuw door Less than zero heb gebladerd) begrijp ik dat heel goed. Er loopt een lijn door het Amerikaanse proza van Henry James en Ernest Hemingway via Joyce Carol Oates en John O’Hara of Paul Auster naar Didion en Ellis. Natuurlijk zijn al deze namen met andere aanvulbaar en is de lijst dus zeker niet compleet. Lees verder

Fragment uit Generation X, tales for an accelerated culture

Douglas Coupland vertelt in Generation X, tales for an accelerated culture, verhalen. In de meeste literatuur gebeurt weinig anders, dus heel uitzonderlijk is het boek daarin niet. Het uitzonderlijke zit in iets anders, volgens mij. Coupland legt, ook al zal hij zich daar in interviews tegen verzetten (wat misschien ook een beetje koket is) de vinger op de stemming die in de jaren negentig heerste, een stemming die zwenkte van doem (de bom!) tot hysterische vrolijkheid. Generation X was verloren, maar had wel een stem (die niet de enige was, maar dat is een ander verhaal). Bij herlezing is de roman nog steeds sterk. Misschien wel sterker, nu een zekere vorm van verwerpelijke melancholie mij soms begint te plagen. Een fragment: Lees verder

Fragment uit The locked room

Stephen Schiff in The New York Times van 4 januari 1987: ‘The quirky richness of Paul Auster’s Locked Room took me by surprise. This is the final volume in his New York Trilogy, and the first two, City of Glass and Ghosts, left a sour, medicinal taste, as if I had swallowed something terribly good for me but not very toothsome. Widely lauded as postmodern and postexistentialist and post a few other things, these two slender novels turn the detective genre into something tonier: the gumshoes in their chilly pages keep meeting doppelgangers and spitting out references to Don Quixote and Hawthorne and Thoreau. And the more they stalk their eccentric quarry, the more they seem actually to be stalking the Big Questions – the implications of authorship, the enigmas of epistemology, the veils and masks of language.’ Ik ben het niet helemaal met Schiff eens, maar in zijn recensie (hier terug te lezen) beschrijft hij wel mooi hoe Auster een sprong maakt richting de ‘echte’ literatuur. Of die sprong altijd even succesvol is geweest (in literaire zin) valt, helaas, te bezien. Een fragment uit deel 1 (City of glass) staat hier. Een fragment uit Ghosts daar. Hieronder een fragment uit The locked roomLees verder