Fragmenten uit Krimp

Fragmenten uit Krimp van Justine Le Clercq.

Agressie is geen emotie die is losgekoppeld van de omgeving, het is geen ongeadresseerde productie. Al die adrenaline is geoormerkt. Agressie heeft een afzender en een adres, en daar moet het heen. Niet naar een sportapparaat, niet naar hardloopschoenen, niet naar een boksbal; het is ook niet weg te zuipen, weg te roken, weg te redeneren. Ieder pakketje agressie heeft zijn eigen gerichte bestemming, en het pakketje rust pas als het op de plaats van bestemming is aangekomen.

Een cumulatie van geweld is als de razernij van een revolutie: ongecontroleerd, gevoed door jaren van woede en verwijt. Nee, groots is het allemaal niet. Had ik een ideaal gehad, of was er oorlog geweest, dan had ik iets gehad om voor te strijden, dan was het verleden bedolven geraakt onder het geweld van de strijd.

(…)

Je hebt geweld dat voortkomt uit het verlangen naar de kick erna, naar het gevoel van macht. En je hebt geweld dat rust geeft, bevrijdt, geweld dat noodzakelijk is. Eigenlijk zit seks ook zo in elkaar.

Was het niet schaker Bobby Fischer die zei: God schiep mij en daarna de rest van de mensen om mij te ergeren? Alles heeft me geërgerd, maar Fischer had nog zichzelf — ik niet, ik erger me ook aan mezelf.

Advertenties

Fragment uit: Winter in Amerika

Winter in Amerika is de meest recente roman van Rob van Essen.

Terug in de kamer ging ik voor de boekenkast staan, bij de romans. Ik liet mijn hand over de ruggen glijden. Dit is waar het om gaat, dacht ik, een beetje plechtstatig, maar ik meende het wel. Dit was ook een vorm van vriendschap, liefde misschien wel. Misschien was het een verslaving, maar ook dat was dan iets moois. Alles kwam hier uiteindelijk op neer, de manier waarop ik mijn geld verdiende, de wereld waarin ik me bewoog en die voortdurend veranderde en die voor iedereen die ouder werd potsierlijke trekken aan begon te nemen (zo was het altijd geweest, nam ik aan), alles draaide hierom, om die paar boeken die je nooit weg zou doen, de paar schrijvers metwie je vriendschap had gesloten terwijl ze misschien al jaren, eeuwen dood waren.
Ik pakte The House on Eccles Street van de plank, bladerde er even doorheen, glimlachte bij een passage en zette hem weer terug. Ik was alleen, ik mocht nu zo plechtstatig zijn als ik wilde; hier ging het om, deze verhalen; nee, niet de verhalen, het ging om meer dan dat, om de inhoud, alles wat het boek bevatte en wat je in je opnam, naar je hoofd verplaatste, hoe je je dat eigen maakte, hoe met de tekst werelden meekwamen waarin je geloofde, verzonnen werelden die écht waren, op die geheimzinnige manier waarop alles wat door een ander was verzonnen tegelijkertijd zowel waar als niet-waar kon zijn – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – als ik het boek van Costello niet al had teruggezet, had ik het uit m’n handen laten vallen. Zowel waar als niet-waar – was het (ik ging er even bij zitten), was het al die tijd gewoon over literatuur gegaan en had ik dat niet doorgehad? Was het zo simpel, was het geen inzicht geweest maar een raadsel waarop me pas nu het antwoord duidelijk was geworden, of erger nog, want banaler, de samenvatting van waar ik me beroepsmatig al zo lang mee bezighield?

Fragment uit: Mooie lieve schat

Het is een erg mooi boek, het nieuwe boek van Joubert Pignon. Het heet Mooie lieve schat. Ik heb het al drie keer gelezen. Dat komt omdat ik steeds vergeet dat ik het heb gelezen. Bij elke herlezing denk ik: Wat een mooi boek, gek dat ik het niet eerder heb gelezen. Het boek is als het leven zelf, je kunt er eindeloos mee bezig blijven. Een fragment:

Op straat houdt een vrouw me staande. Ze heeft haar fiets aan de hand, ik sta op de stoep, ze blokkeert het fietspad. Fietsers bellen en wijken uit naar de autoweg om erlangs te kunnen. Ze vraagt of ik mijn medemens wil helpen. Ik zeg niets maar blijf staan. Ik zeg niet dat ik mijn medemens nooit wil helpen, dat het mijn grote wens is dat al mijn medemensen doodgaan en dat er genoeg ingeblikt voedsel voor mij overblijft om twintig jaar mee vooruit te kunnen. De vrouw zegt dat een vriend van haar vermist wordt en ze vraagt of ik haar wil helpen zoeken. Ik zeg dat ik onderweg ben naar het bowlingcentrum, dat ik heb afgesproken met mijn vriend Harold, dat hij me een potje bowlen cadeau doet. De vrouw zegt dat haar vriend erg in de war is en dat hij snel moet worden gevonden. Ik vraag me af waarom mijn ontmoetingen met mijn medemensen altijd om confrontatie en conflict draaien. Ik draai me om en loop weg. Ik kijk niet meer om naar de vrouw maar hoop voor de bestwil van haar vriend dat hij nog even verdwenen blijft.

Fragment uit: Das Schloß van Franz Kafka

Das Schloß, dessen Umrisse sich schon aufzulösen begannen, lag still wie immer, niemals noch hatte K. dort das geringste Zeichen von Leben gesehen, vielleicht war es gar nicht möglich, aus dieser Ferne etwas zu erkennen und doch verlangten es die Augen und wollten die Stille nicht dulden. Wenn K. das Schloß ansah, so war ihm manchmal, als beobachte er jemanden, der ruhig dasitze und vor sich hinsehe, nicht etwa in Gedanken verloren und dadurch gegen alle abgeschlossen, sondern frei und unbekümmert; so als sei er allein und niemand beobachte ihn, und doch mußte er merken, daß er beobachtet wurde, aber es rührte nicht im geringsten an seine Ruhe und wirklich – man wußte nicht, war es Ursache oder Folge – die Blicke des Beobachters konnten sich nicht festhalten und glitten ab. Dieser Eindruck wurde heute noch verstärkt durch das frühe Dunkel, je länger er hinsah, desto weniger erkannte er, desto tiefer sank alles in Dämmerung.

Franz Kafka, Das Schloß uitgeverij Vitalis

Fragmenten uit: Paul Valéry, Cahiers

‘Van gevoel zou geen sprake zijn, wanneer het gevoel ergens op uit zou lopen – wanneer het in de daad of in het begrip recht op de dood afging. Maar zijn vaagheid is essentieel. Het is als de waarneming van iets doelloos. En het Ik komt inderdaad niet op een doel uit.
De aard, de essentie van het gevoel en de introering is niet te meten en staat dus tegenover gemakkelijk inpasbaar.Het is een soort definitie – en men moet het woord door het begrip onmeetbaarheid vervangen.’

‘Ieder mens bevat iets verschrikkelijk sombers, iets ongelofelijks bitters, iets dat het leven vervloekt, verafschuwt en haat, het gevoel in een val gelopen te zijn, men heeft geloofd en is bedrogen, geloofd te hebben bedonderd te zijn, veroordeeld tot machteloze woede en totale onderworpenheid, overgeleverd te zijn aan een barbaarse, onverzettelijke macht die geeft en terugneemt, die uitnodigt en in de steek laat, die belooft en verraadt en die, alsof het niet genoeg is, ons doet schamen ons bij haar te beklagen, haar als intelligentie, als voelend wezen te behandelen dat we kunnen raken.’

‘De hevigste razernij is de constatering dat kennis krachteloos ten opzichte van de pijn is. Intelligentie brengt het in kaart, beschrijft het, beheerst het en – kan niets.
Woede en schandaal.’

Uit: Paul Valéry, Cahiers, vertaald en ingeleid door Jan Fontijn, De Buitenkant, 2017

Fragmenten uit De hotelier doet niet meer mee van Simon Vestdijk

‘In de Alpen komt geen fatsoenlijk man, dat zal iedereen met mij eens zijn. Zien wij af van een paar wetenschappelijke onderzoekers, een paar doldrieste veldheren, een paar handelsreizigers, tuk op Zwitserse kaas en horloges, dan is er voor de mens van onze tijd op die ongemotiveerde bodemverheffingen niets te zoeken. Ik vind ze ook niet mooi. Een schilderijtje van de Alpen is gruwelijk.’

‘‘‘Ja,’’ zei hij, waarna hij even opkeek en zijn glimlach liet spelen, bijna guitig, ‘‘als een schande wordt het Bonapartisme hier niet gevoeld, maar men kan er het vuurpeloton mee verdienen.’’’

‘(…) Men hoefde hem maar in een gang of in een kamerdeur te zien staan om te weten, dat dit een der sleutels tot zijn karakter was. De dwergenkoning met het doosje, dat duiveltjes baarde, en waar hij zijn hand ophield om niet de hoop méé te laten ontsnappen. Het hoofd scheef, op de tenen (of op die hoge hakken, die mij vroeger aan toneellaarzen hadden doen denken), de glimlach niet in de ogen, die even goed lokten en beloofden, ‘‘Let op, daar komt het, dat had je nooit gedacht, dit is het, het geluk op aarde, grijp het bij zijn staart, anders vliegt het weg, ik heb er maar beperkte zeggenschap over, let op, let op, en wees mij niet dankbaar…’’ Zo zou hij ook tegenover de Kleine Korporaal staan, wanneer die ooit zo gek was zich van Sint-Helena te laten lokken. Monsieur Trublet was zelf zo’n Kleine Korporaal, de bij- en erenaam past verbazend goed op hem: even klein, even parmantig, en koppig als niets ter wereld, en graag anderen overvallend, met het goede of met het kwade. Daarom hield ik ook van hem.’

Uit: Simon Vestdijk, De hôtelier doet niet meer mee, Nijgh & Van Ditmar, ’s Gravenhage -Rotterdam, 1968

Fragment uit Wit van Han Kang

‘Op een novemberochtend zag ze de vlinder aan de rand van deze stad. Eén eenzame witte vlinder met dichtgevouwen vleugels op een rietveld. Sinds de zomer had niemand meer vlinders gezien. Waar had deze zich verscholen? De week ervoor was de temperatuur onverwacht scherp gedaald; misschien waren de vleugels een paar keer bevroren geraakt en was het wit er daardoor uit verdwenen, zodat ze hier en daar vrijwel doorschijnend waren. Zozeer zelfs dat de zwarte aarde erdoorheen schemert. Nog heel even, en het wit is volkomen weg uit de vleugels. Ze worden dan iets heel anders en de vlinder wordt iets wat geen vlinder meer is.’

uit: Han Kang, Wit, Nijgh & Van Ditmar, 2017 (vertaald uit het Engels door Marijke Versluys)