Fragment uit The locked room

Stephen Schiff in The New York Times van 4 januari 1987: ‘The quirky richness of Paul Auster’s Locked Room took me by surprise. This is the final volume in his New York Trilogy, and the first two, City of Glass and Ghosts, left a sour, medicinal taste, as if I had swallowed something terribly good for me but not very toothsome. Widely lauded as postmodern and postexistentialist and post a few other things, these two slender novels turn the detective genre into something tonier: the gumshoes in their chilly pages keep meeting doppelgangers and spitting out references to Don Quixote and Hawthorne and Thoreau. And the more they stalk their eccentric quarry, the more they seem actually to be stalking the Big Questions – the implications of authorship, the enigmas of epistemology, the veils and masks of language.’ Ik ben het niet helemaal met Schiff eens, maar in zijn recensie (hier terug te lezen) beschrijft hij wel mooi hoe Auster een sprong maakt richting de ‘echte’ literatuur. Of die sprong altijd even succesvol is geweest (in literaire zin) valt, helaas, te bezien. Een fragment uit deel 1 (City of glass) staat hier. Een fragment uit Ghosts daar. Hieronder een fragment uit The locked roomLees verder

Advertenties

Fragment uit Ghosts

In 1986 verscheen Ghosts, het vervolg op City of Glass (1985; zie hier voor een fragment), het tweede deel van wat later The New York Trilogy zou gaan heten. The locked room, het slotstuk, volgde ook in 1986. Ghosts is een verhaal waarin de essayist Auster zich los probeert te schrijven en een beweging naar de ‘pure fictie’ maakt. Jammer, eigenlijk, want net die mengvorm ging hem goed af. Net als in City of Glass gaat het hier weer over kijken en bekeken worden, over vastleggen, over schijn en over wezen; over de vraag waarom je moet schrijven, want zo leuk is dat niet. Je offert er een leven voor op en krijgt er, net als de hoofdpersoon Black uit dit boek, niet meteen alles voor terug. Een fragment, of eigenlijk: de slotalinea’s: Lees verder

Fragment uit City of Glass

Een wat vereenzaamde man, Daniel Quinn, midden-dertiger, schrijft onder het pseudoniem William Wilson detectiveromans. Niemand weet dat Quinn onder die schrijfnaam opereert. Ooit was hij dichter en essayist, maar na de dood van zijn vrouw en zijn zoon heeft hij die carrière stopgezet. Op een dag wordt hij gebeld door Peter Quinn, die op zoek is naar de privédetective Paul Auster. Quinn besluit nog een pseudoniem aan te nemen en beweert Auster te zijn. Uit dit gegeven groeit City of Glass (1985) – en eigenlijk ook het hele schrijverschap van Paul Auster, dat toen nog pril was.

Na City of Glass schreef Auster nog Ghosts en The locked room (allebei gepubliceerd in 1986). Deze drie boeken werden in één band samengebracht onder de titel The New York Trilogy. Daarna schreef hij nog veel meer, soms goede boeken, soms minder goede boeken, maar zo spot on als in deze drie boeken werd het niet meer (vind ik). Voordat hij City of Glass publiceerde, debuteerde Auster in 1982 met het autobiografische essayboek The invention of sollitude. Daarvoor had hij al wat dichtbundels geschreven. In 1984 debuteerde hij als schrijver van een detectiveroman, Squeeze Play. Die verscheen (uiteraard) onder een pseudoniem: Paul Benjamin. In 1985 debuteerde hij dus definitief; en die oerknal is nog niet uitgewerkt. Lees verder

Fragment uit Written on the body

Weinig boeken gaan een leven lang mee. Written on the body van Jeanette Winterson lees ik nu al sinds 1992, eerst in de Nederlandse vertaling, toen in het Engels; elk jaar wel een keer, en elk jaar vind ik het nog steeds een mooi boek, iets wat weinig voorkomt. Niet veel boeken redden het zesentwintig jaar. De roman is als een heel lang gedicht waarin steeds meer ‘waarheid’ te vinden is.

Winterson houdt de toon die ze in het begin aanslaat vol, elke zin heeft een noodzakelijkheid alsof hij niet zozeer op de huid is geschreven maar erin is gekerfd. De citaten hieronder zijn de openingsalinea’s en het slot van de roman. Written on the body is een studie naar verlangen en naar de rol die het verhaal, of de taal, daarin speelt. Met die inzet zijn veel ongelukken gebeurd. Maar Winterson deed er iets magisch’ mee, alsof ze het programma van Roland Barthes, neergelegd in zijn liefdesboek, ten uitvoer bracht in fictie. Lees verder

Fragment uit In watermelon sugar

Richard Brautigan stierf in 1984. Een agent had een privéliterair detective ingeschakeld om hem op te sporen. Er lag een contract voor hem klaar. Maar hij had zich voordat hij dat kon tekenen door zijn hoofd geschoten. Hij was maar 49. Ik herlees zijn romans om de paar jaar. Het is elke keer alsof je iets nieuws onder ogen krijgt. Soms wordt hij een ‘hippieschrijver’ genoemd. Daarmee doe je hem een beetje tekort. Hij is een dichter in proza. Zijn romans gaan overal over en flitsen door je geest als een kogel door, nou ja, dat is misschien niet de juiste metafoor in dit geval. Hieronder het eerste hoofdstuk van In watermelon sugar. Hij schrijft ‘travelled’ en niet ‘traveled’, dus dat heb ik overgenomen. Lees verder

Fragment uit De goede zoon

Seks is op allerlei manieren beschreven, in de literatuur. Seks met een zelfrijdende auto tot voor kort nog niet. Dat komt natuurlijk deels omdat er nog maar weinig zelfrijdende auto’s zijn, en deels omdat de meeste zelfrijdende auto’s niet zijn uitgerust met een seksrobotfunctie. De goede zoon van Rob van Essen brengt de primeur. De goede zoon is een sciencefictionroman die zich afspeelt in een niet heel verre toekomst. Een schrijver die zich, na de ondergang van de literaire wereld, heeft toegelegd op de ‘plotloze thriller’, een zelfbedacht genre, raakt in allerlei gebeurtenissen verwikkeld als hij na de dood van zijn moeder wees is geworden. Gebeurtenissen die hun oorsprong hebben in het verleden, dat zich almaar aan een leven blijft opdringen, zelfs (of vooral) in sciencefiction. Net zoals altijd zijn de verhalen van Van Essen ‘vreemd’ en toch ‘vertrouwd’, ongeveer zoals in het fragment hieronder, het begin van de seksscène die Elon Musk waarschijnlijk nog niet heeft bedacht, terwijl die toch altijd bezig is en zich overal mee bemoeit. Lees verder

Fragment uit Contouren

In Contouren van Rachel Cusk komt een ik-persoon mensen tegen die tegen haar beginnen te praten. Ze praat niet of nauwelijks terug. De ik-persoon, van wie we pas op bladzijde 176 te weten komen dat ze Faye heet, en dan alleen omdat ze wordt gebeld met de mededeling dat de hypotheekverhoging die ze aanvroeg is afgewezen, is net als de schrijfster van het boek een schrijfster. De vraag of het boek daarmee ‘autobiografisch’ is, is net zo zinloos als de vraag of het boek fictie zou zijn: het is allebei, en tijdens het lezen heb je 208 bladzijden lang het idee dat je ergens buiten wordt gehouden, ook al betrekt de schrijfster van het boek je bij alles wat ze tijdens het vertellen aan het doen is. Contouren is, ik geef het niet graag toe, een boek om jaloers op te zijn. Cusk brengt iets nieuws, iets wat er voordat ze dit boek publiceerde niet was: een soort boek als Contouren. In het Engels heet het Outline en is het deel 1 van een trilogie, die verder nog bestaat uit Transit en Kudos. In het Nederlands zijn de drie delen verschenen bij De Bezige Bij.

Lees verder