Persis Bekkering verwijt de piramide geen iPhone te zijn

Persis Bekkering recenseert literatuur voor de Volkskrant. Ik vind haar stukken vaak de moeite waard en lees ze graag. Gisteren fronste ik even, na het tot mij nemen van deze stellingname. Lees verder

Advertenties

Daaraan zou ik mijn leven wijden!

René van Hinderickx en Winderickx stuurde mij op verzoek een doos boeken, restjes van de Deventer Boekenmarkt. De meeste ervan had ik al ooit gelezen. Juist daar ging het me om. Ik had plotseling behoefte aan bekende, overbekende teksten. Herlezen is een fijne manier van lezen, en hier, nu ik elke dag alles wat ik om me heen hoor moet vertalen, wilde ik eens meteen begrijpen wat er tegen me wordt gezegd. Meestal ben ik een echte door-lezer. De afgelopen dagen bleef ik oneindig lang stilstaan bij een zin, een alinea, las ik een bladzijde drie of vier keer opnieuw, bewonderde ik de frisheid van het bekende:  Lees verder

Huizen met een muis erin

Ik wilde opstaan voor een mevrouw in lijn 9. Het was erg druk en ik probeer soms galant zijn. Mevrouw is misschien het verkeerde woord. Ze was iets ouder dan ik, een jaar of 55, ik had haar in mijn enige oogopslag per ongeluk iets ouder geschat. Haar blauwe mantelpak was een klein beetje gekreukeld en er stond een knoop van haar bloes open, de een-na-onderste. Resoluut weigerde ze mijn plek. Ze zei iets met ‘jen pořád sedni erin en sinds kort weet ik dat dat ‘blijf maar zitten’ betekent. Ze lachte naar me en ik lachte terug. Een schalks lachje had ze, echt een lachje om dat woord weer eens voor tevoorschijn te halen. Plotseling vroeg ik me af waarom die knoop open stond en waar die vouwen in haar kleding vandaan kwamen.
Lees verder

Een zoon van Limburg: nog steeds actueel

Het Reformatorisch dagblad, een erg goede krant, publiceerde een interessant artikel over Limburg, samenhangend met ‘150 jaar Limburg’. Het stuk ontaardt in een merkwaardig geval van protestante zending, maar toch bevat het zeker in het begin een paar behartenswaardige alinea’s. De kern daarvan: ‘De Limburger bestaat niet.’ Misschien klopt dat, maar deze uitspraak wordt wel gedaan door mensen (een museum-man en een archivaris) die zich ideologisch en cultureel een weg moeten zien te banen tussen de belangen van de provincie en het land. Ze proberen ‘de kwestie’ (die er niet is: want Limburg is net als de Heilige Geest veelvoudig, verdeeld en toch één) in te kaderen, te omzeilen, – ze missen de innerlijke noodzaak en de aandacht voor stijl en compositie die literatuur wel kan bieden. Daarom zou de journalist René Zeeman beter te rade hebben kunnen gaan bij, bijvoorbeeld, mij. Mijn boek Een zoon van Limburg (een zoektocht naar identiteit en het belang van ‘de’ afkomst, is nog steeds te koop. Het begint zo: Lees verder

I’m goin’ back some day, come what may

Ik droomde dat Roy Orbison nog leefde. Hij woonde in Žižkov en zag er goed uit. Zijn bril en zijn pruik werden regelmatig vervangen en schoongemaakt. Ik sprak hem aan de bar van U Vystřelenýho Oka, waar hij een donker biertje bestelde. Een kleintje. Hij is geen drinker. Toen ik, het duurde even, door had wie hij was, zei ik dat ik sommige van zijn nummers heel bijzonder vind, een vorm van hogere white-trash-kunst, ik snapte heus wel dat het niet als een compliment zou klinken. Roy Orbison bleek geen Engels meer te kennen. Hij sprak Tsjechisch. Lees verder

Er goed verzorgd uitzien

Er stond een zwerver in tram 9. Vlak voor de ingang van de middelste deur. Het was moeilijk te zien of hij een man van kleur was of iemand die erg lang niet onder de douche was geweest. Hij droeg een overhemd met roze streepjes en een lichtblauwe linnen broek. Die stond open, waardoor je bij binnenkomst uitzicht had op de aanzet van zijn geslachtsdeel. Volledige inkijk werd niet geboden. Het gebeurt niet alle dagen dat je de bovenkant van een mannelijk geslachtsdeel ziet, in de tram. Hier niet tenminste. Je ziet wel veel vrouwelijk bloot, maar over het algemeen blijven zowel de secundaire als de primaire geslachtskenmerken met textiel bedekt. Lees verder

Earnest in his Howdy Doody–Teletubby way

Ik las een artikel van Jerry Saltz, uit een oud nummer van The New York Magazine, via Vulture. Ik onderstreepte, in gedachten, deze regels: ‘Of course, I often think that everyone who isn’t making art is a failed artist, even those who never tried. I did try. More than try. I was an artist. Even sometimes a great one, I thought.’ Een prachtig citaat, waar je niks aan hebt als je aan het mislukken bent. In Saltz’ artikel zat een link naar een ander artikel van Saltz, over Jeff Koons (‘Jeff Koons is as earnest in his Howdy Doody–Teletubby way as Francesca Woodman and Francis Bacon. That’s part of what makes his great work great, that willingness to fail so flamboyantly!’). Lees verder