Fragment uit Romanschrijver van beroep door Haruki Murakami

Het duurde even voordat ik tot Haruki Murakami werd bekeerd. Het leek me een bezoeking, het lezen van die platgeslagen boeken. Tot ik op een dag ‘niks te lezen’ had en Kafka on the shore kocht. Ik was… onder de indruk. Ik ben nooit echt een aficionado geworden, maar ik lees nu wel af en toe een boek van hem, meestal in het Engels. Het heeft wat, die mengeling van dromen, verhalen, semi-filosofische beschouwingen en gemijmer over het verleden, muziek en nog van alles. Murakami schrijft heel erg effectief, en hoewel hij soms dingen zegt waar de gaten in je sok van dichttrekken, zo irritant: echt lang boos kun je nooit op hem zijn.

In Romanschrijver van beroep probeert Murakami terug te keren tot de bronnen van zijn schrijverschap. Echt het achterste van zijn tong laat hij niet zien. Dat lijkt hij gewoon niet te willen. Hij bouwt vrolijk voort aan de mythe die hij om zichzelf heen bouwde, een mythe die aan elkaar hangt van onverklaarbare maar zeer sterke drijfveren, berekening en eindeloos veel (Japanse?) distantie. Mooi is de manier waarop hij beschrijft hoe hij, dankzij een bijna goddelijke ingeving, tot het schrijverschap kwam. Hij bezocht een honkbalwedstrijd en dacht, toen er een mooie bal werd geslagen, ‘oké, misschien kan ik ook wel een roman schrijven.’ Te mooi om waar te zijn en daarom waarschijnlijk waar.

Dat deed hij vervolgens. Maar het ging niet zomaar: Lees verder

Advertenties

Fragment uit: Twee zomers van Erik Orsenna

Een meanderende roman, zo wordt Twee zomers van Erik Orsenna, vertaald door Marijke Arijs, op de website van uitgeverij Vleugels genoemd. Dat klopt, en klopt niet. Ik vind de roman meer iets weg hebben van de golfslag om een eiland; het is dan ook niet toevallig, denk ik, dat het verhaal zich op een eiland in Frankrijk, of voor Frankrijk, afspeelt. Waar dat verhaal over gaat? Dat is een interessante vraag, waar ik niet helemaal antwoord op kan geven.

We maken kennis met een voormalige minnaar of lieveling van Jean Cocteau die op het eiland bezig is met de vertaling van Ada van Vladimir Nabokov. Omdat hij jaar in jaar uit de deadline niet haalt, wordt de hulp ingeroepen van alle eilandbewoners en eilandgasten die Engels spreken. We maken kennis met vaste eilandbewoners, met een mevrouw De Saint-Exupéry, met meneer Fernández, met de postbode en twee oma’s, die Marguerite en Colette heten; we volgen de periode van twee zomers, waarin het iedereen wel, of misschien toch niet, lukt om Ada vertaald te krijgen. We maken, ook, kennis met een ik-persoon en met een uit het gehate Parijs overgekomen assistent-uitgever, die het manuscript aan de vertaler(s) probeert te ontfutselen.

Het verhaal is, wil ik maar zeggen, niet zo 1, 2, 3 samen te vatten. Aan het eind weet je nog niet wat je precies gelezen hebt, waardoor je het boek gelukkig moet herlezen. De roman is er gewoon, ongeveer zoals een eiland nergens begint en nergens eindigt en toch een grens heeft. Een cirkel van twee seizoenen groot. Twee zomers is een heerlijk boek!

Oh ja. Er wordt een mooie ‘traditie’ beschreven, die iets te maken heeft met het vangen van schaaldieren én met het loslaten van allerlei hinderlijke gewoontes, het claustrofobische leven op een eiland eigen. Een letterlijke uitbraak dus. Dat is het onderwerp van het hieronder gegeven fragment:  Lees verder

Oudejaarsdagverhaal: Geen fragment uit Transit

Als ik aan de dood denk, zie ik mijn vroegere achterbuurman Jan voor me. Hij is het gras in een wei aan het maaien met de zeis. Het is een wat vet aangezet beeld, een cliché in wezen, dat ik ongetwijfeld heb gecomponeerd uit een overvloed, mij ooit aangereikt of opgedrongen of via een film wijsgemaakt. Het is ook een vredig beeld. Er hoort een mooi, repeterend geluid bij, de lange grassprieten vallen per bos op hun zij. Straks drogen ze uit en worden ze voer voor de konijnen, al had Jan geen konijnen, maar daar gaat het hier niet om. Ik wilde alleen vertellen dat mijn persoonlijke oerbeeld van de dood is samengebald in hem, terwijl hij het gras in een wei maait. Die zeis was, overigens, zelfs in mijn jeugd al een anachronisme. Waarschijnlijk maaide hij een stuk gras om mij te laten zien hoe dat ging, ooit, het maaien met dat ding. Lees verder

Fragment uit Why be happy when you could be normal?

Meer dan zeventig leesavonden heb ik al besteed aan Die Schlafwandler van Hermann Broch, en nog is de trilogie niet uit. Het zijn geweldige boeken, daar niet van. Als ik tussen de vijf en de tien bladzijden heb gelezen leg ik het Taschenbuch (een lekker Duits woord) weg en denk ik na over wat ik meemaakte. Tussendoor lees ik andere boeken. 2018 was het jaar van de vrouwen, van de vrouwelijke auteurs: Lucia Berlin, Anita Brookner, Rachel Cusk, Joan Didion, Vivian Gornick, A.M. Homes, Amélie Nothomb, Muriel Spark, Lina Wolff, Virginia Woolf en Nell Zink — ik heb van allemaal één of meer boeken gelezen en ik denk dat ik de lijst volgend jaar ga uitbreiden.

Ik las ook boeken van niet-vrouwen, mannen zeg maar. Het is geen geloofsartikel, het is alleen een verschuiving in het leespatroon die me verbaast. Ik stam nog uit een tijd waarin het gewoon was, zelfs voor docenten aan de universiteit, om met een zin als ‘Ik lees nooit boeken van vrouwen’ weg te komen, al heb ik dat altijd wel een beetje raar gevonden. Ik herinner me zelfs vrouwen die dat zeiden. Literatuur was altijd iets voor mannen, jongens eigenlijk. En zie, de wereld draait gewoon door en alles verandert.

Jeanette Winterson is al heel lang een van mijn lievelingsauteurs. Written on the body is één van mijn favoriete boeken. Het gaat nu al bijna dertig jaar met me mee, overal heen. Why be happy when you could be normal was nog een lacune in mijn Winterson-lectuur. Die heb ik om Hermann Broch heen gevuld. Het is misschien niet haar beste boek, maar Winterson is eigenlijk altijd wel goed. In dit memoir loopt ze nog eens door haar ongelukkige jeugd heen, doorgebracht onder het dwingende regime van een depressieve en godsdienstwaanzinnige moeder, en beschrijft ze hoe ze, en ten koste van wat, wordt herenigd met haar biologische moeder. Het is bekend terrein (onder meer uit haar debuut Oranges are not the only fruit) en het is interessant om te zien hoe ze haar krankzinnige, onveilige jeugd nogmaals beschrijft: ‘When we tell a story we exercise control, but in such a way as to leave a gap, an opening. It is a version, but never the final one. And perhaps we hope that the silences will be heard by someone else, and the story can continue, can be retold.

De omslagfoto van het boek vind ik, trouwens, hartverscheurend. De auteur als klein meisje, een veel te gekleurde bal in de hand, overal zand, beton en bakstenen. Een afzakkend badpakje. Lees verder

Fragment uit Ze zullen denken dat we engelen zijn

De nieuwe roman van Bert Natter is voor zover ik weet de eerste Nederlandstalige roman waarin een terroristische aanslag in Nederland wordt gepleegd. En wat voor één. En hoe beschreven! Twee van de mensen die daarbij betrokken zijn, ontmoeten elkaar tijdens die aanslag en raken verwikkeld in wat enige tijd op een beginnende relatie lijkt. Wie zijn zij? Hij is een man wiens leven niet helemaal lekker verloopt. Hij is chauffeur van een busje dat gehandicapte kinderen naar hun dagverblijf brengt. Ooit had hij echt werk en een leven. Er is iets met zijn verleden, maar wat? Zij is een min of meer gelukkig getrouwde vrouw, die na de aanslag verliefd wordt op de man. Net zoals hij verliefd wordt op haar.

Maar is het wel liefde? Of is er hier iets anders aan de hand? En zo ja, wat? Kortom, we weten het niet, zelfs niet als we Ze zullen denken dat we engelen zijn hebben gelezen. Ik denk dat deze roman, na Remington, mijn favoriete Natter is. Hij is op zijn best als hij een beetje gejaagd verteld over levens die tijdelijk, of voorgoed, op een zijspoor zijn beland. Over mensen die hun leven weer proberen terug te krijgen. Soms met succes, soms niet. In deze roman zijn dat, misschien, twee engelen. Wezens die plotseling opduiken en leven kunnen brengen, maar ook de dood. Een fragment:
Lees verder

Jitka, Pasen en Pinksteren

Jitka houdt niet van veel eten. Ze ontbijt met een smoothie, eet om twaalf uur ’s middags een bakje sla en voor acht uur in de avond neemt ze haar laatste maaltijd: een stukje vis met groenten. Soms neemt ze tussendoor chocolade of fruit. Als ze meer eet, voelt ze zich ongelukkig. Ze wil gezond leven.

Na het avondeten rookt ze een sigaret en in de avond drinkt ze een fles wijn. Dat drinken gaat heel snel, alsof het stiekem moet. Lees verder

Fragment uit Bright Lights, Big City

Als ik de boeken die ik in de jaren tachtig las, herlees, heb ik meestal het gevoel dat ik thuis kom. Niet dat ik de dingen die in Less than zero of Bright Lights, Big City of  zelfs Gimmick! worden beschreven ooit van dichtbij heb meegemaakt, maar er stijgt een mentaliteit op uit de pagina’s die ik meteen herken, alsof ik plotseling door mijn eerste studentenhuis wandel; iemand heeft voor een week nasi gekookt en de geur hangt in het trappenhuis, een geur vermengd met de zeeplucht die uit de douche komt en de brakheid die twee kratten lege bierflesjes, al maanden in een hoek van de gang wachtend op terugkeer naar de SPAR, uitwasemen. Ik ben er weer. Hier was ik thuis. Het was een tijd helemaal zonder internet, maar mét MTV en feestjes en handgemaakte blaadjes waarin zelfgeschreven teksten stonden en feesten die een dag of drie duurden, een tijd waarover je misschien romantisch zou kunnen doen, als hij niet tegelijkertijd zo deprimerend was (en donker, ongeveer net zoals alle tijden dus). In de jaren tachtig werd de naoorlogse periode afgesloten en er werd gepreludeerd op een nieuwe tijd, maar hoe die er precies uit zou gaan zien? Daar probeerde, toen, niemand aan te denken. Het was feest en crisis. Niks aan de hand. Lees verder