Zwemles (10)

Vandaag valt het eindoordeel. Mag ze over een week of drie afzwemmen, of niet. De spanning was, onderweg, te snijden.
‘Als ik niet mag afzwemmen, mag ik dan van zwemmen af?’
‘Nee.’
Et cetera.

Vandaag zijn de ouders ongekend baldadig. Paarden die de stal ruiken. Ze schreeuwen naar elkaar. De kinderen zijn van de weeromstuit rustig, alsof het gedrag van de ouders ze lamslaat. Ik probeer een boek van Schopenhauer te lezen en ben me bewust van de wat kokette daad die ik stel: hier zitten, een bal gehakt bestellen en Schopenhauer lezen. Maar ik vind het proza van Schopenhauer oprecht mooi. Lees verder

Zwemles (9)

De man tegenover me (waarom is hij tegenover me gaan zitten?) eet een frietje speciaal, met de inzet van al zijn kaakspieren. Ik word langzaam onpasselijk. Zou het erg onbeleefd zijn om aan een andere tafel te gaan zitten? Of moet ik dit leed gewoon tot een goed einde brengen?

Na een gemiste les voel ik me vandaag niet meer helemaal thuis in dit gezelschap. Niet, dat ik me tot vorige week wel thuis voelde, maar nu ben ik me bewust van mijn desertie. Het lijkt wel of de rest van de mensen een front vormt, een groep die een geheim bewaart waar ik geen toegang toe heb. Lees verder

Zwemles (8)

Vandaag spijbelen we. Zonder reden, hoewel: we zijn een paar dagen in het voormalige Oost-Duitsland, in Angermünde.

Het hotel heeft de universeel-klinische uitstraling die mijn moeder waarschijnlijk ‘netjes’ zou noemen. Grote kamers, zonder sfeer maar toch goed-burgerlijk ingericht. Als je het licht dempt, lijkt het heel wat. Er is tv en als je betaalt, kun je internet op. Lees verder

Zwemles (7)

De wereld zien in alle helderheid. En dan liever even wegkijken. Of nee, niet wegkijken. Even ernaast proberen te kijken. Maar dit is al een nuance. Daar heeft de wereld geen boodschap aan.

Goed. Het zwembad. Opnieuw in de kantine, als ik me dit woord mag permitteren, samen met alle andere ouders. Bijna allemaal moeders, overigens. Op een paar watjes (zoals ik) na. Bij het zien van de meeste vrouwen vraag je je af waarom de heteroseksualiteit niet al lang is uitgestorven. (Maar dat denken zij ook, als ze mij zien, vrees ik.) Lees verder

Zwemles (6)

Soms eet ik hier, in restaurette Den Hommel, bij het zwembad, pardon, het Aquacenter, een broodje bal. Het is een mooie, rulle en toch sappige bal, die een felogige mevrouw van de bediening serveert (en wellicht: zelf heeft gedraaid).

Als ik een broodje bal gehakt bestel, zegt de mevrouw: ‘Een broodje gehakt’. Zo heet een broodje bal hier, maar ik krijg die term gek genoeg niet over mijn huig.

De vijf vrouwen die elkaar hier hebben ontmoet (dat hoorde ik een van hen net zeggen) vormen inmiddels een heuse posse; ze hebben al een vaste tafel, maar ook vaste bestellingen; en een kwartier voor het einde van de zwemles komt er een nog gauw even een nieuw rondje thee op tafel. Onze voorvaderen hebben, soms met inzet van hun leven, gevochten, ook voor hun vrijheid.

De vrouw met de zware bril (die bij de televisie werkt en de akelige gewoonte heeft om een string te dragen die boven de rand van haar spijkerbroek uitkomt, en die bovendien te weinig geld heeft om truitjes in haar eigen maat te kopen, vertelt over haar werk. Lees verder

Zwemles (5)

Mijn vijfde les, hoewel, die van T. Zij heeft er in elk geval geen zin in, elke week niet. Maar nu vooral niet, want een klasgenootje van haar dat in dezelfde groep zit, is ziek. T huilt voor de les en ik vermoed dat het een mengeling is van angst en geen zin / geen zin in het onbekende. Net als ik vroeger maakt ze niet graag een sprong richting / in het onbekende (maar in tegenstelling tot mij kan ze dat wel goed, na enige aarzeling).

Weer een vol café. Het terrasweer is nu wel voorbij, of me moeten volgende week ineens een mooie nazomer zien gebeuren. Het is overigens niet koud, eerder ‘fijn’ (20-22 graden), maar het waait en soms valt er een druppeltje regen. Lees verder

Zwemles (4)

Het formuleren van een poëtica, dat de jonge dichter M… nu aan het doen is (op zijn weblog), komt op mij altijd zo triestig over. Het is een kruising tussen een sisyfusarbeid en een tantaluskwelling. Bovendien: wie op zijn 23e een uitgesproken poëtica heeft, zou op zijn dertigste al een ouwe lul kunnen zijn.

In het zwembad. Vandaag weinig mensen, relatief rustig. Gek genoeg staat de muziek harder. The Cure. Vreemde muziek in deze oprecht-volkse omgeving. ‘Why can’t I be you.’ Wat articuleert Smith toch mooi-duidelijk. Lees verder