Fragment uit: Brief an den Vater

Brief an den Vater is de brief die Franz Kafka wel schreef, maar nooit verstuurde. In een bladzijde of tachtig legt hij de verhouding tussen zijn vader Hermann en hemzelf in bijna allemaal citeerbare zinnen vast. Kafka geeft een psychologisch portret en een samenvatting van zijn schrijverschap: alle thema’s die hij in zijn verhalen en romans uitwerkte, zitten erin. Je leest de biecht van iemand die bij Freud op de divan had kunnen liggen, als hij Freud persoonlijk had gekend. Een fragment: Lees verder

Advertenties

Fragment uit De polyglotte geliefden

Volgens de uitgever is De polyglotte geliefden van Lina Wolff ‘een buitengewoon originele, prikkelende verkenning van machtsverhoudingen, van de male gaze, en van de manipulatieve eigenschappen van de literatuur.’ Dat is allemaal misschien waar, maar ik vond het eigenlijk gewoon een erg goed boek, eindelijk eens een boek over ‘deze tijd’ dat dwingend is geschreven en heel goed verteld; je wordt er iets wijzer van en je blijft, aan het eind, met lege handen staan. Je kunt er iets mee, met het boek, zonder dat het per se hoeft. Het is een ideaal boek om met huid en haar te lezen. Een fragment: Lees verder

Titus en Cornelia (en Rembrandt en Fiona Tan)

Het is te groot, het Kunsthistorisches Museum in Wenen, te protserig ook, te hoog en te breed en te bont. Na zalen vol met Nederlandse en Vlaamse meesters is het in de derde zaal vol Italianen plotseling genoeg. Ik wil niet meer. Die meesterwerken kunnen me wat, verder, ik moet naar buiten, en snel, het hoofd afgewend voor nog een paar wandschilderingen van Gustav Klimt die me onderweg worden opgedrongen. Op zoek naar de uitgang neem ik de verkeerde afslag en plotseling sta ik weer tussen de Nederlandse meesters, de vloeren kraken onder de vele toeristen, de kunstwerken lijken van muur naar muur te wandelen, de kijker achterna, zodat die steeds hetzelfde ziet. Lees verder

In de metro (8)

In de metro zit een vrouw met een handtas op schoot. Vroeger was dat heel gewoon. Vrouw. Handtas. Schoot. Tegenwoordig zie je dat minder. De vrouw is niet oud, integendeel, ik schat dat ze een jaar of veertig is. Ze is niet het type vrouw dat je meteen voor je ziet met een handtas op schoot. Haar jurk past zich aan aan de tas en toch ziet ze er niet gedateerd uit. Ze heeft haar haren achterover gekamd en draagt een staartje. Dat is weer jonger dan die jurk en die handtas. Haar neus is Grieks. Toch vind ik die neus wel mooi. Ik zou er in willen bijten. Hoe zou je zoiets moeten vragen? Pardon, mevrouw, mag ik heel even, ik zal het zachtjes doen, in uw neus bijten? Als het mag, bijt je toch net iets te hard door, je proeft de huid, de geur van de neus als geheel is prettig, zout, je bent je tijdens het bijten over-bewust van alles wat die ene beet inhoudt. Je bijt in het leven zelf, het leven dat wordt beschermd door de neus. Lees verder

Over de C. Buddingh’-Prijs en over Arno van Vlierberghe

C. Buddingh’ was een wat burgerlijke dichter met een geinige stem. Een pleaser. Waarom de debuutprijs die Poetry elk jaar uitreikt naar hem is genoemd weet ik niet. Misschien om de jonge dichters aan te sporen net zo truttig te leven en te schrijven als de naamgever? Het zou me, Poetry een beetje kennend, niet verbazen. Lees verder

Fragment uit De dokter en het lichte meisje

De dokter en het lichte meisje verscheen in 1951. Ik herlas het boek onlangs, in een door De Bezige Bij in 1967 uitgegeven zestiende druk. Gek genoeg herinnerde ik me weinig van het boek; en ik was er van onder de indruk alsof het een eerste lezing betrof. Het begint meteen al goed: de openingsalinea:

Op die herfstavond, enkele jaren na mijn artsexamen, zat de lange dikke met twee bijna afgestudeerde collega’s op het spaarzaam verlichte caféterras. Ik kwam aanlopen van de brug, en zij zagen me niet. Voor hen stonden drie geleegde bierglazen. Zij hadden zich warm gepraat en zouden dadelijk wel opstappen. Toen ik na enige aarzeling doorliep, was het mij te moede alsof er iets veranderd was, alsof er een ommekeer had plaatsgehad, die mij nog veel te doen zou geven. Deze verandering voltrok, zich binnen in mij, en zij mij niet zagen, niet in staat waren mij terug te roepen, was als een bezegeling daarvan. Vaak lijkt het zo weinig. Men beleeft het op straat, op een regenmiddag, wanneer een druppel iets te hoog en te zilverig terugspat van het asfalt. Daar rijdt een auto, niet eens door een plas, en van de vluchtheuvel springt een dame en holt een zijstraat in, als zag zij over de tramrails de baarlijke duivel aanrollen. Of er verdwijnt een vogel klapwiekend achter een 18de eeuwse daklijst. En dan ineens is het zo ver. Men is anders. Men wordt opgetild en ergens neergezet. Men voelt zich verlaten, en niet verlaten. Men peinst, over niets, of zo goed als niets. Menselijke aangezichten hebben allemaal die nauwelijks beledigende vraag in zich: ‘Wat doe je daar? O, ik zie het al, je staat daar; je denkt, dat ze je opgetild hebben, misschien is dat toch niet helemaal juist.’ Tot de werkelijkheid teruggebracht loopt men verder, en men vergeet het weer. Maar die druppel en die vluchtheuvel en die dame en die vogel komen altijd terug, in de gedaante die hen past.

In de metro (7)

De man tegenover me leest een boek over het Praag van voor 1968. Hij draagt een bril met dikke glazen, ouderwetse jampotdeksels, en tóch moet hij zijn ogen nog zowat op de bladzijde houden om iets te kunnen zien. Zijn uiterlijk komt ook uit de tijd voor 1968. Hij draagt een pak van corduroy. Bruin. Op zijn ellebogen zitten van die opzetstukken en de knieën van de broek hebben het opgegeven. Jammer genoeg kan ik niet controleren of het zitvlak van de pantalon glimt. Zijn overhemd, ooit wit, is grijs van het vele wassen. Lees verder