Fragment uit De tuin van de familie Finzi-Contini

Uit: De tuin van de familie Finzi-Contini, vertaald door Jan van der Haar, De Bezige Bij, 2015, met een voorwoord van Bas Heijne: een van de boeken die je kunt blijven herlezen. Bassani schrijft over gebeurtenissen die weemoed oproepen, zonder dat hij direct weemoedig wordt, of de grens naar de sentimentaliteit oversteekt. Zijn melancholie zit tussen de dingen, in de gebeurtenissen, – ze kleeft aan de mensen. En ze is onderdeel van de geschiedenis die mensen vermorzelt maar verhalen niet kapot kan maken. Lees verder

Advertenties

Voor de verre prinses, een jaar later

Een jaar geleden verscheen Voor de verre prinses, een bundel liefdesbrieven bij gedichten. Ik heb een paar keer geprobeerd om een ‘vervolg’ te schrijven. Blijkbaar had ik er een jaar voor nodig. Dit is of de eerste brief van een vervolg, of de slotbrief. Of misschien is de tekst wel iets anders.

totaal witte kamer

Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen –

© Gerrit Kouwenaar Lees verder

Laatste nummer van de Titaan is verschenen

Alle tijdschriften waaraan ik meewerk, verdwijnen. De Titaan, de Tilburgse krant waar ik met zo veel plezier voor schreef, schaart zich nu helaas in de rij van verdwenen projecten, waaraan ik met mijn hele ziel en zaligheid heb bijgedragen. Mijn allerlaatste verhaal in De Titaan begint zo (en is een onder meer een ode op de geboorte- en sterfstad van het tijdschrift: Lees verder

Je gezicht aan de nacht meegegeven – over Ed Leeflang en DBNL

Het ‘De nieuwe titels van februari 2018’ van DBNL vond ik vandaag neerdrukkende lectuur. Niet omdat de titels die werden ingeluid me niet bevielen, integendeel, maar omdat ik plotseling besefte dat veel van die titels uit mijn jeugd stamden en nu definitief uit hun papieren jas zijn gehaald, om te worden toevertrouwd aan de digitale eeuwigheid. Gerrit Komrij en Mensje van Keulen gezellig zij aan zij met Dirk Ayelt Kooiman. Ooit waren hun boeken nieuw, werd er over geschreven en werden ze goed verkocht – nu zijn ze teruggebracht tot scan, platte tekst of e-boek, voor eeuwig zwevend in de serverruimte of in een cloud. Lees verder

Gerald’s game, een ‘relevante’ film

Gezien: de film Gerald’s game. Gemaakt voor Netflix en daarom eindigt hij mierzoet en moralistisch. Dat hoort zo bij grote streamingdiensten, blijkbaar. Het einde is een sof, maar de rest van de film mag er zijn. Het verhaal, geschreven door Stephen King, is een geslaagd voorbeeld van hoe je met heel weinig middelen een ongelooflijk spannend (en ‘relevant’) verhaal kunt opbouwen, zonder gooi- en smijtwerk. De kijker, ik, zit op het puntje van zijn stoel terwijl de hoofdpersoon met twee sets handboeien aan een bed is geketend. Waarom? Lees verder

Gut essen, of: een poging om van Vladislav Vančura te houden

Op verzoek van Johannes van der Sluis schreef ik voor zijn Tzum-rubriek Underground een tekst over de Tsjecho-Slowaakse schrijver Vladislav Vančura. De hele tekst is te lezen op Tzum.

Mijn eerste ontmoeting met Tsjecho-Slowakije verliep via mevrouw Váňová. Ze woonde aan de straat Polska in Praag in een zeer ruim tweekamerappartement in een negentiende-eeuws appartementengebouw. Ik herinner me het trappengebouw, de grote en hoge kamers, de enorme gang waaraan een keuken lag en de ouderwetse bedden waarin mijn toenmalige vriendin en ik sliepen, op matrassen nog van ver voor de fluwelen revolutie, en de bruinkool-gestookte boiler in de badkamer. Het meest herinner ik me mevrouw Váňová zelf. Ze leek erg op een achterbuurvrouw van ons in Leveroy. Ze sprak zeven zinnen Duits en was volgens mij dik in de zeventig. Ikzelf was toen begin twintig, dus ik kan me vergissen. Ze kan er ook oud hebben uitgezien, voor haar leeftijd. Ze droeg overdag een lichtblauw schort en was een groot deel van haar tijd bezig in die keuken. Als mijn vriendin en ik thuiskwamen van een dag rondlopen door de voor ons nieuwe stad, stond Váňová ons al op te wachten. In haar keuken had ze brouwsels van gehakt, tomaten, uien en paprika gemaakt. Die verdeelde ze over twee borden, waarna ze plechtig tot ons sprak: ‘Frau gut essen, Mann auch gut essen.’ Naast de tafel in onze slaapruimte, waar we moesten gaan zitten met onze borden, stond ze te wachten tot we alles weg hadden gelepeld. Mijn vriendin wist zich na twee dagen aan deze corvee te ontworstelen. Na thuiskomst wreef ze over haar buik en zei: ‘Bauch nicht gut. Monatlich.’ Daar had onze kokkin alle begrip voor, maar ik, de man immers, moest zeven dagen aan een stuk eten wat ze me voorzette. Ik leerde de toen nog Tsjecho-Slowaakse, nu Tsjechische gastvrijheid van nabij kennen. In de straat Polska had Franz Kafka nog enige tijd gewoond overigens, op nummer 28 als ik me niet vergis. We kwamen er elke dag, op weg naar mijn maaltijd, langs. Ik keek elke keer naar het huis en zag niets.

Menno Wigman (1966-2018)

Menno Wigman ontmoette ik voor het eerst tijdens de Beurs voor Kleine Uitgevers in 1987. Ik kan me nu bijna niet meer voorstellen dat het ooit 1987 is geweest en toch weet ik uit dat jaar (en uit de periode 1983-1995) soms nog meer dan uit de periode die in 1995 begon en zich nu langzaam naar een einde sleept. Samen met Rob van Erkelens stond ik op die beurs het blad Tristan te verkopen, een literair tijdsschrift (geen spelfout). Menno had een stand voor zijn blad Nachtschade – iedereen was bezig met het maken van blaadjes, het typen van stukken voor blaadjes, het rondbrengen van blaadjes, het verkopen van blaadjes, het ten grave dragen van blaadjes, om vervolgens nieuwe blaadjes op te richten – het was een dynamische én landerige tijd, New Wave was de muziek en als er al werd gedanst, keek iedereen naar beneden tijdens het dansen (‘kwartjes zoeken’). Lees verder