Over de (niet zo) noodzakelijke jeugdliteratuur

In een opiniestuk over de tanende aandacht voor jeugd- en kinderliteratuur op de website van Trouw citeert Bas Maliepaard de jeugdboekenschrijver Sjoerd Kuyper: ‘Het belang van jeugdliteratuur ontstijgt de boekenkast. Kinderboeken kunnen, als ze met de juiste instelling geschreven zijn, met het hart van een kind en de hand van een volwassene, van kinderen mooie grote mensen maken.’ Mij rijzen bij dit argument de haren ten berge. Ik zie die volwassene op een of andere manier meteen voor me, een wat weke persoon die deels in zijn kindertijd bleef hangen en af en toe de pedagogische zotskap opzet om vervolgens, als je echt pech hebt, op de problematiek van de tijd toegesneden (onverdraaglijk modieuze) boeken te gaan schrijven.

Lees verder

Advertenties

Ik probeer op mijn eigen neus te fluiten; over Pierre Kemp

Op bladzijde 88 en 89 van de bloemlezing Het regent in de trompetten, de mooiste gedichten van Pierre Kemp, uitgegeven bij gelegenheid van Pierre Kemps vijftigste sterfjaar, staan vier gedichten bij elkaar waarin Kemp poëticale uitspraken doet (en waarvan er een de titel aan de bloemlezing verschafte). Dit is het eerste:

Dante en ik

Ik probeer op mijn eigen neus te fluiten,
het lukt mij niet.
Mijn motieven waaien wel naar buiten,
maar vormen geen lied,
geen arabeske, geen canzone
of vluchtiger als in deze tijd,
een hupse hulde aan een schone,
niet oud-gekleurd en meer bereid.
Zo gaat mijn dure tijd voorbij.
Dit is ook het enige verschil tussen mij
en die geniale Zanger van de Hel,
want Dante kon dat wel. Lees verder

Mensen worden meestal ervaren in mondelinge vorm

Na lezing van dit onderzoek van Kila van der Starre, gisteren tijdens of voorafgaand aan de Nacht van de Poëzie in Utrecht gepresenteerd, een onderzoek dat haar zeker ooit de Roos Vonk-leerstoel zal opleveren, presenteer ik – nog steeds confuus van zoveel wijsheid – een samenvatting van Van der Starre’s titanenwerk:

Nederlanders denken bij de term ‘mensen’ vooral aan ‘institutioneel erkende’ mensen. Mensen die door erkende instanties erkend worden als mens, worden ook door het merendeel van de volwassen Nederlanders als zodanig erkend. Mensen met minder erkenning uit de officiële wereld zijn ook in de ogen van de meeste Nederlanders minder vaak mensen. Wel zijn dit soort mensen veel bekender dan de mensen die officieel als mens worden beschouwd. Denk hier aan de BraboNeger, Gerard Joling en de TuigVlogger. Wanneer Nederlanders denken aan mensen, denken zij in veel gevallen aan (het voorkomen van) officieel erkende mannen (zoals Barack Obama, Jesse Klaver of Vladimir Poetin). Lees verder

Een kamer in een statig herenhuis in het centrum van Kopenhagen

‘Verveling, verveling, smachten naar een glimp van geluk, wachten op de uren durende extase, de exaltatie der verbeelding, ja, nu moet zich iets voordoen, ik wil beslist deze avond niet nutteloos doorbrengen, en verdraaid, ik zie een kamer in een statig herenhuis in het centrum van Kopenhagen, naar de inrichting te zien ergens in de jaren 1920-1925.’

Lees verder

I am most faithless when I most am true

De poëzie van Edna St. Vincent Millay is eigenlijk altijd goed. Dat merkte ik tijdens het lezen van dit artikel op het (onvolprezen) weblog BraninPickings. Tegelijkertijd is er altijd wel iets op haar gedichten aan te merken. Ze vult haar regels tot over de rand, omdat ze anders niet kan zeggen wat ze precies wil zeggen. Dat geeft het geheel iets springerigs, iets onvoltooids. Het geeft niet. Het hoort zo te zijn. Juist op die momenten zijn haar gedichten goed. Ze staan niet alleen vol paradoxen, ze zijn ook op paradoxale wijze niet-helemaal-goed en daarom helemaal af. Dit voorbeeld: Lees verder

Lezen: Ralf Mohren

Over De hemel is zwart vandaag van Ralf Mohren.

Wie naar de andere kant van de zee verhuist, verhuist niet van ziel (‘Caelum, non animum mutant, qui trans mare currunt’). Dat is een waarheid als een koe. Bedacht door Horatius die deze woorden geschreven had kunnen hebben naar aanleiding van de nieuwe roman van Ralf Mohren: De hemel is zwart vandaag. Het boek ‘gaat’ over de leraar Nederlands Arthur Poolman die aan het eind van de jaren negentig van de twintigste eeuw voor drie jaar naar Curaçao gaat en daar binnen twee jaar fiks verloren loopt. In ‘een web van drank, goedkope seks, ontworteling en waanzin’, zou een middelmatige recensent schrijven. Ik zou zeggen: Hij raakt van het pad en merkt dat hij zijn ziel in zijn thuisland (Nederland, Limburg) heeft achtergelaten en niet kan missen. Lees verder

Rui Cóias in Terras

Wát ik heb gelezen weet ik nog niet precies. Maar de twee gedichten van Rui Cóias, die Harrie Lemmens vertaalde voor Terras, zijn iets bijzonders. Ik heb ze nu een keer of drie hardop voorgelezen en hoop ze na de zesde keer, zo ongeveer, te doorgronden. Lemmens over het werk van deze dichter: ‘Thematiek en focus verschuiven voortdurend van ruimte naar tijd en van persoonlijk naar algemeen. Reizen, of misschien liever verplaatsingen, gaan via prachtige beelden een verbinding aan met het landschap en het eigen en collectieve geheugen.’ Meer werk van Cóias vindt u hier. En op de website Zuca Magazine.

Bij datgene waardoor we herhaaldelijk worden meegevoerd,
hunkerend naar wat zich in de volgende bocht vertoont,
met onze hand op de kastanjebomen waar we
onze namen in kerven, onze verhinderde eenzaamheid,
keren we altijd om op het punt waar alles herhaald wordt en begint
en waarvan we slechts een minuut, een ogenblik bereiken,
het snijvlak van het jaar dat voorbij gaat en het jaar dat komt.