Herfst op de kade: Toen ik verder ging trok ik een nieuwe streep

nokia8110Het is herfst op de kade. De vijgenboom en het kleine boom-achtige ding ervoor dat ik niet kan plaatsen zorgen voor een explosie van bruin en paars en groen en geel. De grote kastanjebomen verliezen elke dag meer blad. Het is fijn weer voor de honden die worden uitgelaten, ze storten zich, het hoofd voorover, in elke bladerberg en komen er bijna lachend uit tevoorschijn. De buurman van twee huizen naar rechts veegt elke ochtend zijn stoep met een heel grote bezem schoon. Achter hem waaien de bladeren er weer op. ‘Het is een Sisyphusarbeid,’ zei ik gisteren tegen hem. ‘Maar dan is het wel even mooi schoon,’ zei hij. Lees verder

Advertenties

Belangrijke gedachten, gedichten – over Nooteboom en (alweer) Dylan

voorkant-monniksoog-195x300Op Tzum citeert Remco Ekkers uit de nieuwe bundel van Cees Nooteboom: ‘Probeer het, alleen nog maar woorden, geen gevoel, / de macht waarmee ze zichzelf zijn, jij niet meer bestaat / en alleen nog maar luistert, taal weerspiegeld in taal. / Voel hoe je langzaam verdwijnt, buitengesloten,’ nou en zo voort en zo verder. Het hele gruwelkabinet vol nadrukkelijk poëtisch gezweef, en dat in maar vier regels. Toch knap van Cees, om alle poëzie binnen de kortste keren uit de taal te meppen en er een soort catechismustekst voor in de plaats te zetten. Lees verder

Joris van Groningen is jarig

jorisOmdat Joris van Groningen vandaag jarig zou zijn geweest, las ik het mooie in memoriam van Maarten Hell nog eens. Eén zin trof me, omdat ik vergeten was dat wat Hell hier beweert ook inderdaad zo wás: ‘Je kon hem tot grote woede drijven door iets aardigs over Bob Dylan te zeggen en – omgekeerd – iets onaardigs over Harry Mulisch.’ Gelukkig heeft hij de toekenning van de Nobelprijs aan Dylan niet meer hoeven meemaken, zou je bijna denken (en heeft hij mijn volgens hem ongetwijfeld laffe, onterechte verdediging van ’s mans oeuvre nooit onder ogen gekregen). Lees verder

Lezen (100): Viktor Frölke

dagbodevaneenpostbodeDagboek van een postbode, het dagboek dat Viktor Frölke bijhield toen hij werkzaam was als postbezorger (wat iets anders is dan postbode, want een postbode sorteert ook zelf, en bezorgt niet alleen de post die door anderen of een machine is gesorteerd) is goed geschreven. Mooi geschreven, zou ik bijna zeggen, zonder in mooischrijverij te vervallen. Drie dienstjaren duurde het huwelijk tussen de schrijver en het voormalige staatsbedrijf, drie jaren waarin hij zich de voeten onder het lijf uit liep voor net geen drie meier per maand. Toch blijft er iets wringen, als je zijn boek leest. Maar wat? Nou, ik zal het proberen te vertellen.

Lees verder

Wie is er geen Cassandra – Over de AH to go en Elly de Waard

Bij de AH to go stond een vrouw koffie te maken. Ze had haar telefoon in de linkerhand en zette met haar rechter de kartonnen beker onder de tuit. Na enige aarzeling koos ze voor gewone koffie. ‘Ik snap dat je je niet goed voelt,’ zei ze tegen de telefoon. ‘Maar voor dit project is het essentieel dat je vandaag bij de meeting bent. Het kan nu echt niet afgezegd worden.’ Haar koffie was klaar. Ze pakte een dekseltje van de stapel en duwde dat op de beker. ‘Na vanmiddag mag je wat mij betreft drie dagen uitzieken. Ná vanmiddag.’ Ik zag dat het deksel niet goed op de beker zat. Lees verder

Nare mensen die Limburgers nadeden & Annie Ernaux

annieernauxVroeger was alles beter. Behalve de televisieprogramma’s. Gisteren zag ik Mies Bouwman op DWDD Gemist, zij bleek te zijn gevierd omdat ze er heel lang geleden al was en nog steeds niet was gestorven, de televisie in Nederland bestond 65 jaar, en plotseling kwam alles terug, mijn hoofd liep er weer van over, van het ‘amusement’ uit de jaren zeventig, de eindeloze zaterdagavonden vol met diezelfde Mies Bouwman, of met Fred Oster, of Ted de Braak, of Berend Boudewijn, of Martine Bijl, of Jos Brink en Albert Mol, of met humor van André van Duin en de Mounties, of, of, of… Lees verder

Er was een vogel; en geen zong als hij

E cinere Phoenix

Er was een vogel; en geen zong als hij
wanneer herrijzend uit een dor verleden
van pijn en lust, hij weervond in de mei
een leven zonder maat en zonder reden.

Verliefd, verslaafd, gebonden aan de klei,
voegde ik mijn leeg bestaan naar de oude zeden,
hoorde in de stad den zang van elk getij
en in het veld den lokroep van de steden.

En steeds die droom: dat ik in het azuur,
eindlijk gezuiverd door het godlijk vuur,
zou stijgen in een wervelwind van vlammen…

En inderdaad een gloed heeft mij verblind,
maar het was de aardse gloed, waarvoor elk kind
zich schreiend bergt achter de donkre stammen. Lees verder