Fragmenten uit Mrs. Dalloway

Virginia Woolf, Mrs Dalloway, Wordsworth Edition,1996, origineel: 1925

They were perfectly happy now, she said, suddenly, putting the hat down. For she could say anything to him now. She could say whatever came into her head. That was almost the first thing she had felt about him, that night in the café when he had come in with his English friends. He had come in, rather shyly, looking round him, and his hat had fallen when he hung it up. That she could remember. She knew he was English, though not one of the large Englishmen her sister admired, for he was always thin; but he had a beautiful fresh colour; and with his big nose, his bright eyes, his way of sitting a little hunched made her think, she had often told him, of a young hawk, that first evening she saw him, when they were playing dominoes, and he had come in—of a young hawk; but with her he was always very gentle. She had never seen him wild or drunk, only suffering sometimes through this terrible war, but even so, when she came in, he would put it all away. Anything, anything in the whole world, any little bother with her work, anything that struck her to say she would tell him, and he understood at once. Her own family even were not the same. Being older than she was and being so clever—how serious he was, wanting her to read Shakespeare before she could even read a child’s story in English!—being so much more experienced, he could help her. And she too could help him.

(…)

He never knew what people thought. It became more and more difficult for him to concentrate. He became absorbed; he became busied with his own concerns; now surly, now gay; dependent on women, absent-minded, moody, less and less able (so he thought as he shaved) to understand why Clarissa couldn’t simply find them a lodging and be nice to Daisy; introduce her. And then he could  just—just do what? just haunt and hover (he was at the moment actually engaged in sorting out various keys, papers), swoop and taste, be alone, in short, sufficient to himself; and yet nobody of course was more dependent upon others (he buttoned his waistcoat); it had been his undoing. He could not keep out of smoking-rooms, liked colonels, liked golf, liked bridge, and above all women’s society, and the fineness of their companionship, and their faithfulness and audacity and greatness in loving which though it had its drawbacks seemed to him (and the dark, adorably pretty face was on top of the envelopes) so wholly admirable, so splendid a flower to grow on the crest of human life, and yet he could not come up to the scratch, being always apt to see round things (Clarissa had sapped something in him permanently), and to tire very easily of mute devotion and to want variety in love, though it would make him furious if Daisy loved anybody else, furious! for he was jealous, uncontrollably jealous by temperament. He suffered tortures! But where was his knife; his watch; his seals, his note-case, and Clarissa’s letter which he would not read again but liked to think of, and Daisy’s photograph? And now for dinner.

Advertenties

Het begon als griep – een ode aan het ziekenfonds

Het begon zondag jongstleden als griep. Ik zat in de keuken en begon plotseling te trillen. Ik herkende het meteen en begon ook meteen uit te rekenen wanneer ik beter zou zijn, – woensdag, zo ongeveer. Op maandagochtend werd ik wakker in het zwembad, uit heel ingewikkelde dromen waarin ik meespeelde in een variant op de film eXistenZ. Opstaan kon wel, maar duurde een uur. Honger had ik niet, wel zin in koffie. Het drinken van de koffie die ik anderhalf uur later zette, zorgde voor een zweetaanval. Ik bleef maar aan mezelf denken als iemand met griep, dat was de fout. Ik zag mezelf als iemand met een wel heel erg zware griep. Zwaarder dan anders. Ik zag mezelf niet als een astmapatiënt die soms niet zo goed door een griep heen komt. In de krant stond het trouwens ook, er was een griepepidemie. Niks aan de hand. Lees verder

Fragment uit De vegetariër van Han Kang

Han Kang, De vegetariër, vertaald door Monique Eggermont, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam.

En het beeld zou nooit bij hem opgekomen zijn als er niet toevallig een gesprek had plaatsgevonden. Als zijn vrouw hem die zondagmiddag niet had gevraagd hun zoon in bad te filmen. Als hij niet toen zij hun zoon na het afdrogen zijn onderbroek had aangetrokken verbaasd had uitgeroepen: ‘Die mongolenvlek is nog steeds groot! Wanneer verdwijnt die in vredesnaam?’ Als zij niet gedachteloos had geantwoord: ‘Nou… ik weet niet meer precies wanneer die bij mij is verdwenen. En Yeong-hye had hem op haar twintigste nog.’ Als zij toen hij daarop verbaasd ‘Twintig?’ had geroepen, niet gereageerd had met ‘Mmm… een kleintje maar, duimgroot, blauw. En als ze hem toen nog had, wie weet heeft ze hem nu nog wel.’ Precies op dat moment werd hij getroffen door het beeld van een blauwe bloem op vrouwenbillen, met blaadjes die zich openvouwden. In zijn gedachten werd het feit dat zijn schoonzus nog een mongolenvlek op haar billen had op onverklaarbare wijze gekoppeld aan het beeld van mannen en vrouwen die seks hadden, hun naakte lichamen volledig beschilderd met bloemen. Het causale verband van die twee dingen was zo helder, zo onmiskenbaar en ook zo onbegrijpelijk dat het daarna in zijn herinnering gegrift bleef.

 Ook al ontbrak het gezicht, de vrouw die hij had getekend was zonder twijfel zijn schoonzus. Nee, zij móést het zijn. Toen hij begon te tekenen had hij zich voorgesteld hoe haar naakte lichaam eruit zou zien, ten slotte zette hij een stipje als een blauw bloemblaadje midden op haar billen en hij had een erectie gekregen. Het was sinds zijn huwelijk vrijwel de eerste keer, en beslist de eerste keer sinds hij de vijfendertig was gepasseerd, dat hij zo’n intens seksueel verlangen had gevoeld, een verlangen dat bovendien een duidelijk object gold. En wie was dan die man zonder gezicht die zijn armen om haar nek geslagen had en eruitzag alsof hij haar probeerde te wurgen, die zich in haar stootte? Hij wist dat hij dat zelf was; dat het zelfs niemand anders kon zijn. Toen hij tot die conclusie kwam, trok hij een grimas.