Lezen (11)

Als je leest, betreed je een wereld waar je geen deel van uitmaakt en die je toch in zijn geheel kunt leren kennen, of kunt ervaren. Het meest ideaal is het bereiken van een staat waarin het verhaal je meeneemt of meesleept zonder dat je in de gaten hebt dat dit aan het gebeuren is.
Na de laatste bladzijde word je weer uit die wereld verdreven of gesmeten. Ondertussen is die vreemde en vertrouwde wereld de jouwe geworden, zij heeft zich gevoegd bij alle eerdere (lees)ervaringen.
Een paar maanden geleden las ik Tonio, een meesterwerk van de schrijver A.F.Th. van der Heijden. Van tevoren was ik op de hoogte van de achtergrond van dit boek. Ik kon min of meer navoelen hoe afschuwelijk het voor de schrijver moet zijn geweest om het te schrijven: een maandenlange zelfkastijding, een poging om het witte papier te laten veranderen in een levend wezen.
Maar tijdens het lezen nam de bewondering voor de manier waarop de schrijver zijn metier had uitgeoefend de overhand. Ik ging de tekst meer en meer zien als wat hij ook is: als literatuur. Niet (meer) als autobiografisch document.
Het ‘echt gebeurd’ is in de literatuur een problematisch gegeven. ‘Echt gebeurd is geen excuus,’ zei Gerard Reve. Dat is te begrijpen, maar het lezende deel der natie laat zich aan deze uitspraak nauwelijks iets gelegen liggen. Boeken waarin iets dat ‘echt gebeurd’ is voorkomen, kunnen zich over het algemeen in een brede belangstelling verheugen.
Je zou het een autobiografische samenzwering kunnen noemen, zoals P.F. Thomése ooit deed. Maar dat is te enkelvoudig, en het gaat voorbij aan wat volgens mij een veel fundamentelere kloof is tussen verschillende groepen lezers.
Dat tussen de lezers van literatuur en de ‘gewone’ lezers. De eerste groep zal zich iets gelegen laten liggen aan stijl, uitwerking van karakters, taalgebruik. De tweede groep vreet boeken, op een jaloersmakende wijze: alsof het broodjes zijn, of stukken snoepgoed.
Ik wil geen waardeoordeel hebben over beide lezersgroepen. Ik. Wil. Dat. Niet.
Ik dénk altijd dat ik bij de eerstgenoemde groep hoor, maar als ik sommige critici lees denk ik wel eens dat ik de aansluiting heb verloren.
Als Elsbeth Etty wéér een meesterwerk aanprijst, zinkt de moed me menigmaal in de schoenen.
De lectuur van een ‘goed’ boek, bijvoorbeeld dat Van der Heijden, verdrijft dat gevoel. Tijdens het lezen. Daarna slaat de twijfel opnieuw toe en begint de zoektocht naar weer een ander boek dat kan worden gelezen.

Lezen (10)

Boekenwinkels In hoeveel ben ik er tijdens mijn leven geweest? Ik denk toch al gauw een stuk of (antiquariaten en ketenbedrijven meegerekend) duizend.
Elke keer stap je over de drempel met een minstens enigszins van verwachting kloppend hart. Dáár kan het liggen, het boek dat je nu nog niet kent maar waar je, een leven lang en zonder je er bewust van te zijn, naar hebt verlangd. Het ligt achter een baan van stof en houdt zich gedeisd. Dat kunnen boeken erg goed, zich gedeisd houden.
In een Harry Potter-film zag ik een boek dat begon te schreeuwen als je het opensloeg. Ook kwam er een gezicht uit tevoorschijn, nu ja, niet uit tevoorschijn, maar het gezicht probeerde zich een weg naar buiten te banen vanuit het papier, dat flink werd opgerekt.
Vroeger was ik bang dat boeken die ik in een boekhandel zou openen mij konden verraden. Daarom durfde ik sommige boeken niet in te kijken, boeken waarvan ik had begrepen dat hun inhoud… scabreus was, of explosief, of gewoon ronduit ranzig & ondermijnend. Stel je voor dat de boekhandelaar mij met zo’n boek zou zien en zou vragen hoe oud ik was.
Ik was vroeger, kortom, bang dat een boek een boodschap kon uitschreeuwen. Maar boeken schreeuwen niet. Daar durf ik nu wel van uit te gaan.
Wat boeken dus wel doen, is zich gedeisd houden. Sterker nog, volgens mij kunnen ze zelfs wegduiken als iemand die ze wil kopen eraan komt. Anders is het niet te verklaren dat je soms jaren naar een boek kunt zoeken, terwijl dat ineens in de winkel om de hoek blijkt te liggen, op een plek die je al jaren bijna wekelijks passeerde en waar het al tien jaar niet is weggehaald (volgens de verkoper).
Het rondlopen in de boekhandel zal nooit worden geëvenaard door een andere manier waarop boeken, of e-books, worden gepresenteerd. Het drentelen, het af en toe vastpakken van een boek, het bladeren, de doelgerichte of juist impulsieve aankoop, het éne boek dat net niet op tijd is weggedoken.
Over honderd jaar zijn er nog steeds boeken, ook van papier, en er wordt ongetwijfeld nog steeds gelezen. Maar hoe zal het dan zijn met de boekhandel? In Amerika is er een trend-terug naar kleine assortimentswinkels. Maar die hebben in zichzelf al een ‘retro’-element. Het gaat niet om winkels die terúg zijn, het gaat om winels die al minimaal decennia op dezelfde plek staan en op dezelfde wijze worden geleid.

Lezen (9)

Het was tijdens een treinreis tussen Roermond en Nijmegen, in mijn eerste studiejaar. Tegenover me zat een man te schrijven. Hij had een map bij zich, zo’n ding wat je krijgt tijdens congressen, of als relatiegeschenk van een provincie. In die map: een notitieblok.
De man schreef gehaast, alsof hij gedachten wilde vastleggen die hem dreigden te ontgaan. Zijn pen was van het merk Parker. De man had, herinner ik me, grijze krullen, – maar voor hetzelfde geld had hij steil haar met een kleur ergens tussen wit en zwart. Wat ik me wel precies herinner, of denk te herinneren, is dat hij ondanks zijn gehaastheid heel rustig was. Hij was geconcentreerd bezig.
Hij onderbrak zijn schriftuur met enige regelmaat, om dan peinzend naar buiten te kijken, naar het landschap rond Swalmen, Reuver, Tegelen, Venlo, Blerick, Venray, Vierlingsbeek, Boxmeer, een vlak en saai landschap dat zich als een matige arthouse-film aan je ontrolt… tot hij bij het naderen van Cuijk aanstalte maakte om de trein te verlaten.
Voordat hij de map in zijn tas stopte, scheurde hij een paar beschreven vellen uit het bloc en gooide die, na ze te hebben verfrommeld, in de prullenbak aan de zijkant onder het raam.
Ik wachtte tot hij de trein had verlaten en maakte me toen meester van de vellen papier. Bijna nooit had ik zó verlangd naar het lezen van een tekst als toen. Ik streek ze glad en zag… vellen gelinieerd papier. Niet beschreven. Terwijl ik had gezien dat de man beschreven vellen verfrommelde.
We gingen naar Mook, Nijmegen Heyendaal en liepen ten slotte aan het einde van de saaie film binnen, langzaam, op Nijmegen Centraal.
In de hal van het station stond een zwerver die op Martinus Nijhoff leek. Hij keek me aan en knipoogde.

Lezen (8)

Ik las twee boeken waarvan ik niet zeker weet of je er het woord ‘literatuur’ aan kunt hangen. Het gaat om Memo’s aan een niet-bestaand lief en Aan barrels. De auteurs, Marinet Haitsma en Harry Vaandrager, hanteren allebei een verschillend register – Haitsme is ‘gevoelig’, Vaandrager probeert de harde jongen uit te beelden.
Toch vond ik de boeken op elkaar lijken, en niet alleen omdat ze allebei (voornamelijk) bestaan uit monologen en omdat ze het, eh, lichamelijk-psychische niet schuwen.
Het komt me voor dat de auteurs, en misschien is dat typisch voor ‘deze tijd’ (die is als alle tijden, en hij is bovendien voorbij voordat je er erg in hebt), vooral druk zijn met het geven van een plaatsbepaling, met het inzetten van hun eigen leven(sleed) ten bate van het formuleren van een antwoord op de eeuwige vraag: ‘Wat, waarom, waar en wie?’
In de zoektocht naar een publiek hanteren de schrijvers wel verschillende strategieën. Vaandrager laat zijn boek graag het letterkundig oliesel toedienen, bijvoorbeeld door een critius die uit het hart van de (experimenteel-)literaire wereld komt, Haitsma sluit rechtstreeks aan bij haar lezers/lezeressenpubliek, dat achternaamloos wordt geciteerd.
Ene ‘Tjark’ schrijft (over Haitsma): ‘Heb je boek gelezen en was wel onder de indruk. Jezus, wat een klerezooi beschrijf je! De hoofdpersoon heet toevallig ook Marinet, dus ik vermoed dat het boek autobiografische kanten heeft.’
Kurt Snoekx schrijft (over Vaandrager): ‘Aan barrels zindert van het afgrondelijke leven zelf, is een veelkoppige, meerstemmige elegie van het bestaan. Zinnelijk, levendig, beklemmend, labyrintisch zijn de negen gedachtestromen die Vaandrager op het papier stort.’
Ook hier weer raakvlakken. Beide auteurs wordt een zeker inzicht in ‘het leven’ toegedicht. Soms komt dat inzicht rauw, en ongepolijst tot je, en soms is het rauw omdat het gepolijst werd. Maar hoe dan ook: het is ‘het leven’, dat heerlijke onderwerp waar blijkbaar niemand ooit over uitgeschreven raakt.
‘Het is wat,’ zou mijn opa hebben gezegd. Om er aan toe te voegen: ‘Maar het kan net zo goed helemaal niks zijn.’ Maar mijn opa was dan ook van een oude generatie, iemand die het echte leven van zo nabij kende dat hij er de laatste dertig jaar van zijn leven helemaal niets meer van moest hebben.
De vraag of de boeken tot ‘de literatuur’ gerekend moeten worden, kan ik echter niet beantwoorden.

Lezen (7)

Afgelopen weken las ik, ’s avonds, in kleine stukjes, het lijvige boek Te leven op duizend plaatsen, Jo Otten 1901 – 1940 van Rob Groenewegen. Al die tijd leefde ik met de sombere, nihilistische schrijver Otten, een man die de literatuurgeschiedenis (nog) niet haalde, maar die wel uitermate geschikt bleek om de hoofdpersoon van een grote biografie te worden.
Groenewegen schetst, in een (niet heel geweldig, maar wel adequate) stijl een leven van iemand die de geschiedenis wel aanraakt, maar niet wordt aangeraakt door de geschiedenis. Op één moment na, als er (we schrijven 10 mei 1940) een Duitse bom op hem valt.
Otten wilde dolgraag contact met de ‘mannen van Forum’, maar de mannen van Forum vonden hem maar een wat weke figuur. Met Dirk Coster krijgt hij wel contact. De tragiek zit er dus al meteen in: de literaire contacten waarnaar hij haakt, willen hem niet; de literaire contacten die hij legt, zijn zweveriger dan Otten. Schrijver tussen twee stoelen. Zijn nagelaten sprookjes, die in 1947 verschijnen, heten toepasselijk De neger die wit wilde zijn.
Ik heb bewondering voor Groenewegens prestatie, maar ben nog niet naar Antiqbook of Boekwinkeltjes gegaan om boeken van hem te bekijken. (Nu wel. Ik heb nog niets besteld.) Blijkbaar zet zijn boek, hoe voorbeeldig ook, mij niet op het spoor van de beschreven auteur. Die blijft, ondanks de bonte waaier aan (smakelijk beschreven) ellende een schim, iemand met wie je niet meteen kennis wilt maken.
Toch roept het boek wel een andere vraag op. Namelijk deze: ‘Verdient Otten dan wel zo’n uitgebreide biografie?’ Daarop is maar één antwoord mogelijk: ‘Ja.’
Vergeten auteurs waren ooit onderdeel van ‘het’ literaire leven. Hun werk is – ooit – opgenomen in het weefsel van teksten dat literatuur nu eenmaal is. Er werd op gereageerd. Het werd bewonderd of afgekeurd.
Dat Groenewegen (met schaarse bronnen) een deel van dat leven weet te presenteren, in een boek dat a good read is, dwingt bewondering af. In die zin heeft Otten een (kort) na-leven gehad. Ik weet nu van hem af, ook al zal ik waarschijnlijk nooit een boek van hem lezen, zelfs niet uit letterkundige loyaliteit met de biograaf.
Hoewel! Na lezing van dit bericht op Tzum, en na het vinden van deze herdruk op de website van Uitgeverij In De Knipscheer, denk ik er anders over… Wordt (wellicht) vervolgd.

Lezen (6)

Sommige gedichten kan ik niet zonder huivering lezen. Ze gaan een leven lang mee en zijn bij elke lezing weer heel even nieuw. Een voorbeeld: ‘Twee reddeloozen’ van Martinus Nijhoff. Alles aan het gedicht werkt mee om me in de juiste staat van, tsja, ontzag te brengen: van het slepende begin tot het einde, dat ik weergaloos vind. Juist omdát het zo bijna-clichématig is.
Elke keer als ik dit gedicht lees, word ik een ontploffing gewaar, onder mijn schedeldak. Niemand hoort die, behalve ik.
Nijhoff vertelt een groot verhaal in taferelen. De eerste twee strofen gaan over een vrouw, die vaak naar de kade gaat; de laatste twee strofen over een man die zich afvraagt of hij gefaald heeft. De man en de vrouw zijn niet meer samen, maar wel samen geweest, ooit, in een tijd van voor dit gedicht.
Het zijn natuurlijk de zware a-klanken in de eerste acht regels en de o-klanken in de volgende acht, waar dit gedicht op leunt. Dit gedicht is van a en o verzadigd. In zijn ritme is het kalm-klaaglijk. Het bevat twee strofen (nummer twee en nummer vier) met aforistische kracht. Het geheel is bijna perfect, of misschien wel helemaal perfect. Ik zou niet weten wat ik er op af zou moeten dingen, als ik dat al zou willen doen.
Je zou kunnen zeggen dat de tegenstelling tussen de teleurgestelde, maar passieve vrouw en de teleurgestelde, maar op zijn situatie refelecterende man in deze tijd gedateerd aandoet, maar Nijhoff omzeilt een moralistische of op cliché’s gebaseerd wereldbeeld. Hij signaleert, hij geeft geen oordeel. Dat ‘neutrale’ is iets dat veel klassieke gedichten (gedichten die ik klassiek vind) met elkaar gemeen hebben.
‘Stopping by woods on a snowy evening’ van Robert Frost heeft het, veel verzen van Osip Mandelstam en Ida Gerhardt hebben het, Joseph Brodsky en Philip Larkin of Eva Gerlach… Het neutrale in een gedicht wil niet zeggen dat de inhoud mee-neutraliseert. Maar het is er, als een soort extra lak, overheen gestreken, als teken van vakmanschap. De dichter die de lezer wil voorzien van een explosieve inhoud zorgt ervoor dat de bom pas tot ontploffing komt ná lezing.
Een explosie die maar door één persoon wordt waargenomen en maar door één persoon kan worden omschreven. Misschien.

Lezen (5)

Maarten ‘t Hart is de meest blijmoedige lezer die ik ken, en De som van misverstanden is zijn evangelie. Ik heb zijn boek vijf keer gelezen en werd steeds getroffen door de onversneden liefde waarmee hij over boeken (en het lezen ervan) schrijft.
Maarten ‘t Hart is al een heel leven lang Maarten ‘t Hart, iemand die liefde niet alleen maar met zachtzinnigheid uitdraagt. Een citaat:
‘Hoewel die kinderafdeling door een bebrilde diaken werd beheerd kon ik het toen al niet nalaten aan andere kinderen mijn mening over gelezen boeken op te dringen onder het mom van belezenheid. Onder de hoge tafels door gaf ik aan peuters van dezelfde afmetingen als ik kinderboeken die ik zelf had gelezen en mooi had bevonden en als ze ze niet wilden aannemen of op hun eigen oordeel wilden afgaan, werden ze krachtig op het hoofd geslagen met een kinderboek waar ik niet van hield. Vrij veel kinderen wist ik overigens tot slaafse volgzaamheid op te leiden, ze lazen precies datgene wat ik hen aanraadde.’
De recensent, het jurylid en de polemicus komen niet uit de lucht vallen.
Lezers zijn niet zelden zeloten. Ik herinner me de discussies in Antiquariaat Verzameld Werk, aan de koffietafel, die meestal gingen over gelezen, stukgelezen, boeken. Het vuur werd er aangewakkerd met liefde, en met de wens dat die liefde een gedeelde zou worden.
Niet dat dit altijd gebeurde, maar ik ben bijvoorbeeld wel – dankzij een onberispelijk geklede heer die alles van en over Louis Couperus verzamelde – een tijdlang verslingerd geraakt aan het werk van deze Haagse dandy.
Lezen levert liefdes op die zich uiten én afkeren die hetzelfde doen. De verliefde lezer leurt met nog-te-lezen boeken bij mensen die het licht nog niet hebben gezien. Krachtig op het hoofd slaan is er tijdens de leeftijd des onderscheids niet meer bij, maar ik zag in het antiquariaat wel een keer dat iemand een boek (van F.B. Hotz) naar het hoofd van een onverlaat smeet die had durven zeggen dat het werk van Hotz hem niet interesseerde.
De gooier had wel eerst gecontroleerd of het om een eerste druk of een gesigneerd exemplaar ging.