Lezen (14)

Aflevering 8 ging al over Aan barrels van Harry Vaandrager en Memo’s aan een niet-bestaand lief van Marinet Haitsma. Ik wil nog een keer op beide boeken terugkomen, naar aanleiding van deze recensie. Ik citeer:

“In de hedendaagse Nederlandstalige literatuur is Aan barrels hoogstens verwant met auteurs als C.C. Krijgelmans of J.M.H. Berckmans. Die uniciteit an sich maakt deze roman natuurlijk niet tot briljante literatuur – zoals een van de vele verdachtmakingen bij experimenteel proza luidt. Wel is het de vakmanschap en literaire kunde waarmee Vaandrager die schriftuur aanwendt om de lezer intellectueel uit te dagen en emotioneel vast te nemen door hem onmeedogenloos te smijten in de gestoorde, verwarde en emotioneel gebroken gevangenis van maatschappelijke randfiguren.”

Dat ik onderdeel zou zijn van “een van de vele verdachtmakingen” laat ik even voor wat het is. Ik wil me richten op de manier waarop Demeyer Vaandrager de experimentele hoek in fietst: door de manier waarop Vaandrager zijn taal organiseert, en daarmee ritme aanbrengt, te verwarren met “wijsgerige of existentiële vragen”. Demeyer probeert de vorm die Vaandrager kiest (en daarna consequent, en zeker niet slecht, invult) om te toveren tot “experimenteel”, waarbij hij, zoals altijd, of nee zoals zo vaak, het woord “experimenteel” vooral uitholt tot een over de vorm sprekend epitheton.

Op dezelfde manier kun je Memo’s voor een niet-bestaand lief experimenteel noemen, omdat Haitsma óók verwant is met bijvoorbeeld Berckmans, die een niet-aflatende gedachtenstroom op de mensheid losliet, in een particuliere, niet altijd even “schone” taal – net als Haitsma.

Een begrip als “experimenteel” is volgens mij hol geworden, niet meer te gebruiken in het gesprek over literatuur. De een gebruikt het als keurmerk, de ander om er mee te sneren. Maar het woord zegt niets meer over boeken, over literatuur – het wil alleen polariseren. Dat is jammer, en dat is één van de redenen waarom de literaire kritiek is uitgehold. De taal waarvan zij zich bedient is, als door houtwormen, molm geworden.

Waarom Vaandrager en Haitsma, beiden wonend in Rotterdam, niet samengebracht in één recensie? Want het zijn allebei boeken die niet de gebaande paden bewandelen én ze vertellen een verhaal dat “anders” is. Misschien soms wel experimenteel.

Advertenties

Lezen (13)

Als iemand het heeft verdiend om onder nummer 13 op te duiken in deze rubriek, dan is het Jan Kostwinder wel. De schrijver en dichter had een bijzondere verhouding tot het ongeluk. Dat wil zeggen: hij trok het aan, zoals een magneet ijzervijlsel. Maar hij stormde er ook op af, zoals een deelnemer aan de nieuwjaarsduik op de Noordzee. Zonder om te kijken, in de wetenschap dat het koud zal worden.

Jan. Geprezen zij zijn naam, maar jezusmarie, wat een lastpak was hij soms. Voor zichzelf, voor zijn omgeving, voor alles en iedereen. Jan was niet het type dat rustig in een hoekje ging zitten wachten tot iemand zich aan hem begon te ergeren. Hij lokte die ergernis bij voorkeur al met vooruitwerkende kracht uit. Dan was dat maar alvast gebeurd en kon hij zich de rest van de tijd, die hij anders misschien in ledigheid had doorgebracht, vastbijten in een grimmige, uitzichtloze, heerlijke polemiek. Want waar voor de een het ‘mijn spelen is leren’ opgaat, daar had Jan als adagium ‘mijn schrijven is strijden’.

Ik was oprecht op Jan, zowel op de persoon als op zijn werk. Van dat werk is, denk ik, het proza net een (flinke) slag geslaagder dan de poëzie, al heeft hij mooie gedichten geschreven. Albert Hagenaars publiceerde vandaag een beschouwing over Jans verzamelde gedichten op zijn weblog, daarin zit ook enige ambivalentie jegens het poëtische oeuvre.

Jans verhalenbundel en zijn roman zijn helaas “uitverkocht”. Een herdruk ligt, de huidige markt overziend, niet voor de hand. Misschien zou een digitale uitgave wel wat zijn. Daarin kunnen dan ook de nooit verschenen brieven eventueel worden verwerkt. Er ligt nog een mooie taak voor iemand, om een boek te maken, of een website, de Complete Kostwinder.

Het is geen gemakkelijk werk, je bezig houden met Kostwinder. Daar kan ik uit eigen ervaring van getuigen. Toen Hein Aalders en ik het verzamelde dichtwerk samenstelden, werden we allebei nogal eens, tsja, droevig. Omdat Kostwinder het hele leven zo genadeloos uit de bocht had laten vliegen. Zoveel talent, en er dan zo weinig mee (kunnen) doen. De schaduw van een niet, of net niet ingeloste belofte lag donker over onze werkzaamheden heen.

Jan Kostwinder was niet voor het geluk geboren, zelfs niet voor postuum (literair) geluk. Hier zou ik een passage moeten inlassen over die ellendige rechtvaardigheid – die niet opduikt als je er het meest behoefte aan hebt. Maar ja. Waarom?

Lezen (12)

De afgelopen week las ik twee romans van hedendaagse Nederlandse auteurs. Grip van Stephan Enter en De schrijver en zijn meisjes van Peter Drehmanns. Ik vond het allebei, om verschillende redenen, heel goede boeken.

Van de twee is Enter is de behoedzaamste stilist, die goedlopende zin na goedlopende zin aan de lezer voorschotelt. Hij formuleert bedachtzaam, elegant en met een schijnbaar groot gemak; maar het is altijd de schrijver die de touwtjes in handen houdt en die de lezer voortleidt aan de halsband van zijn stijl. Enter wikt, en de lezer krijgt te zijner tijd te horen wanneer hij mag beschikken. Op de website van boekhandel Athenaeum staat een voorpublicatie en ik citeer vrij willekeurig een zin:

“Dat was bijzonder aan Lotte – dat ze continu sarcastisch was en dan zo’n opmerking kon maken zonder zelf sarcasme over zich af te roepen. En dat kwam niet doordat ze het al met voorbehoud of ironie bracht, integendeel: ze had iets kinderlijk theatraals en ijdels over zich als ze zoiets zei – haar stem ging omhoog en je hoorde haar woorden trillen. Maar op de een of andere manier voelde je aan, ook al had je haar nog maar net ontmoet, dat die incidentele pathetiek echt was en bij haar hoorde; dat haar gevoelsleven opeens als een zenuw blootlag.”

Mooi. Bij vlagen perfect. Maar de schrijver spreekt tot ons, we worden niet het verhaal in geduwd (of getrokken).

Drehmanns pakt het anders aan. We krijgen een inkijkje in het geestelijke leven van de wat mopperachtige schrijversfiguur Mark Gerstenberg, iemand die het niet getroffen heeft met de huidige modes in het literaire bestel. Gerstenberg kankert er vrolijk op los. Niet altijd even genuanceerd (maar waarom zou hij?) en zeker niet altijd even redelijk. Redelijkheid is meer iets voor, tsja, andere mensen.

Die mensen die de hel bevolken.

Een citaat: “De wereld lag overhoop, crisissen bij de vleet, vulkaanuitbarstingen, digitale revoluties en olievlekken wijd en zij, neofascisten, bankbonzen en reclametuig alom aan de macht, de snuitkever was bezig aan een verwoestende opmars, de huizenmarkt stortte daarentegen geheel in, het aantal depressies rees de pan uit, vrouwen die erop los ‘vlinderden’, kerels die bij bosjes door hun prostaat werden geveld, kinderen die zich niets meer lieten zeggen, de ene familiemoord na de andere – en hij wist niet meer waarover hij moest schrijven, kreeg geen letter op papier, geen format uit zijn kop geperst, voelde zich behalve met zijn zaadstreng nergens mee verbonden.”

Enter kiest voor “afstand”, Drehmanns moppert en ronkt er (soms vrolijk) op los. Die twee benaderingswijzen leveren allebei een goed boek op. Dat is een kwestie van het onbenoembare, dat talent heet. Dat leverde Enter nu een succesboek op, en ik vind dat Drehmanns hetzelfde verdient.