Schaamte om Zoetemelk (3)

Nu, zoveel jaar later, nu ik het meer van afstand bekijk, weet ik alleen nog maar zeker dar Zoetemelk de beste Nederlandse wielrenner aller tijden was en is. Hij had de pech dat hij Merckx en Hinault op zijn pad trof, maar heeft desondanks veel en veel verschillende soorten wedstrijden gewonnen; hij bleef fietsen, jaar in jaar uit, en altijd op een hoog niveau. Misschien was ik van mijn 13e tot en met mijn 22e (zo oud was ik toen Zoetemelk ermee stopte, 22 pas, zo jong!) nog niet in staat om zijn zeer nadrukkelijke niet-spectaculaire manier van doen te waarderen. Misschien eiste ik, op grond van mijn leeftijd, ander gedrag van een topsporter dan ik nu doe: wie geen held was en wie zich niet als een held gedroeg, ik bedoel: wie zich niet gedroeg naar het beeld dat ‘ik’ van een held had, telde niet mee.

Als ik hem bezig hoorde en zag tijdens interviews, deze onhandige man die niet uit zijn woorden kwam, dan vond ik dat bijna beledigend, voor mij, voor de kijkers in het algemeen en zelfs voor de interviewer. Ik stelde het gedrag van de interviewer, die op grond van zijn eerdere ervaringen met Zoetemelk kon weten dat deze geen groot prater was, niet ter discussie, sterker nog, ik ging er van uit dat Zoetemelk de plicht had om antwoorden te geven, briljante antwoorden zelfs, in ieder geval minder onbenullige antwoorden dan hij anders gaf, ik ging er van uit dat hij die plicht had als hem iets werd gevraagd – zelfs als hij al ongelooflijk vaak had laten merken dat hij er geen prijs op stelde om te worden geïnterviewd.

Nooit dacht ik, in die tijd, ‘laat die man met rust, hij is niet van jullie gezeur gediend,’ nee, erger, ik nam het gedachteloos op voor journalisten die iets van hem moesten en die hem, als stank voor dank, voorzagen van een slechtzittend imago – de ‘eeuwige, bovendien niet zeer spraakzame, sociaal onhandige tweede’. Hij was en is inderdaad niet erg spraakzaam en sociaal niet zeer handig, maar hij was geen eeuwige tweede. Mijn schaamte om Zoetemelk, die blijkblaar een schaamte om mijn vader was, lijkt te zijn omgeslagen in een schaamte voor mijn vroegere mening over Zoetemelk – die door journalisten ook altijd Joop of, erger, Jopie werd genoemd, zonder achternaam, wat bedoeld was om te kleineren; en het publiek nam het natuurlijk over, zodat je het publiek tijdens de criteriums waar hij aan meedeed altijd ‘Jopie Jopie’ hoorde scanderen (geen wonder dat hij strak naar het wegdek bleef kijken en niet genoot van de aandacht die hem ten deel viel – die aandacht berustte op een misverstand).

Toen ik op 20 juni 2003 naar Sportpaleis De Jong ging kijken, deed ik dat met nog steeds mijn oude Zoetemelkbeeld voor ogen: de held die maar geen held kon zijn en van wie ik daarom de beeltenis uit mijn kamer verwijderde (hier krijg ik de gelegenheid om over katholicisme en wielrennen te beginnen, maar die gelegenheid laat ik lopen – hoewel dat een mooi onderwerp zou zijn, een dankbaar onderwerp ook; later, in een ander boek). Ik meende dat ik zou gaan kijken naar een programma over een sukkel, dat bedoel ik maar te zeggen. Maar het klopte niet. Zoetemelk was volledig en alleen maar zichzelf en dreef De Jong (die op zoek was naar een mooi shot of naar een paar antwoorden, desnoods) bijna tot wanhoop met zijn zwijgzaamheid, zijn onwil om een hoofdrol in het tv-programma te gaan spelen, zijn onvermogen om uit zichzelf, uit Joop Zoetemelk, te treden. Het kwartje viel: Zoetemelk was dan wel geen held, hij was wel helemaal Zoetemelk, en dat herkende ik nog niet, toen, begin jaren tachtig, al had ik dat, vind ik nu, wel moeten herkennen.

Zoetemelk wilde liever niet over de wielersport praten, wel over zijn passie, de jacht. Eén van de eerste sportboeken die ik kreeg was van Jean Nelissen3. Daarin stond een foto van Joop Zoetemelk in jagerskostuum – hij heeft die passie dus al langer, en ook daarin is hij consequent. Tegenwoordig jaagt Zoetemelk, samen met een aantal, ja, hoe noem je dat, jachtkameraden, op gemzen in de franse Alpen; een bizar gezicht: Zoetemelk, een hoedje met zo’n veer op, die te voet over een Alpentop gaat, het geweer over de schouder of onder de arm, speurend naar een gems. De Jong had er weinig mee, maar ik voelde ineens sympathie voor de man die stilte en afzondering zoekt (voornamelijk omdat ik zelf helemaal niet goed functioneer in stilte, laat staan in afzondering) en die daaruit wellicht – wie zal het zeggen – kracht put, of mooie gedachtes. Of helemaal niets, maar het gewoon doet omdat hij het leuk vindt.

De Jong constateerde dat er in het appartement waar Zoetemelk resideert als hij op jacht is, geen wielertrofeeën hingen. Nou ja, er hing één poster uit 1980, het jaar waarin hij de tour won, op het toilet. Zoetemelk lachte malicieus (ik weet niet precies wat malicieus betekent, maar het woord past goed bij het lachje dat hij tevoorschijn toverde) en zei: ‘Dat hebben de kinderen gedaan.’ Nee, Zoetemelk heeft de wielersport niet uit zijn leven gebannen, Zoetemelk houdt journalisten die hem vragen stellen over zijn wielercarrière zorgvuldig op afstand, want hij is de jager en niet de prooi. Daartoe zet hij alle middelen in: hij zwijgt, hij praat in korte zinnen, die voornamelijk bestaan uit herhalingen van de vraag, hij puft en blaast, hij neemt ze mee op jacht en hij wil het, als klap op de vuurpijl, niet over wielrennen hebben; hij zet dwaalsporen uit en verschuilt zich.

Het is geweldig – ooit zal hij zichzelf helemaal hebben weg gemanoeuvreerd uit de publiciteit, iets wat hem nog moeite genoeg zal kosten, want de lange arm van de televisie reikt ver, maar hij doet zijn best, en dan, als echt niemand hem meer opzoekt, is hij, stel ik me voor, volmaakt gelukkig. Jagend, en denkend aan zijn wielerverleden of denkend aan helemaal niets, dat kan natuurlijk ook, maar hoe dan ook: volmaakt gelukkig.

De tijd dat ik posters ophing van wielerhelden is voorbij. Mijn plakboeken heb ik al jaren niet meer ingezien. Bovendien ben ik er meteen na 1980, toen Zoetemelk de Tour won, meteen gestopt met het bijhouden ervan. Omdat ik toch nooit meer een Tourzege van een Nederlander zou meemaken, was de officiële reden; omdat ik er eigenlijk te lui voor was, zeg ik nu. Ik zat liever naar de tv te kijken, gewoon, zoals andere mensen een boek lezen of in de open haard staren.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s