De Japanner en de varkenspoot

Er bestaat een Japanse reisgids waarin U Medvídků wordt aangeraden. Het hotel én het restaurant. Elke keer als ik in de gelagkamer zit, zijn er daarom ook Japanners. Met een gids in de hand. Die ze lezen terwijl ze daar zitten, waarschijnlijk om erachter te komen wáár ze zijn beland. Je ziet aan hun gezichten dat het vertaalmoment – ergens tussen hun hoog-esthetische en culinair verfijnde land en Praag zijn ze verloren gelopen – nog moet komen. De authenticiteit waarin ze terecht zijn gekomen is verwarrend en met geen Japans woord te bevechten. Lees verder

Lezen: Ralf Mohren

Over De hemel is zwart vandaag van Ralf Mohren.

Wie naar de andere kant van de zee verhuist, verhuist niet van ziel (‘Caelum, non animum mutant, qui trans mare currunt’). Dat is een waarheid als een koe. Bedacht door Horatius die deze woorden geschreven had kunnen hebben naar aanleiding van de nieuwe roman van Ralf Mohren: De hemel is zwart vandaag. Het boek ‘gaat’ over de leraar Nederlands Arthur Poolman die aan het eind van de jaren negentig van de twintigste eeuw voor drie jaar naar Curaçao gaat en daar binnen twee jaar fiks verloren loopt. In ‘een web van drank, goedkope seks, ontworteling en waanzin’, zou een middelmatige recensent schrijven. Ik zou zeggen: Hij raakt van het pad en merkt dat hij zijn ziel in zijn thuisland (Nederland, Limburg) heeft achtergelaten en niet kan missen. Lees verder

Humor ist, wenn man trotzdem lacht

Lachen om een krantenbericht, ik doe het zelden. Maar toen ik dit las, lachte ik. Het is helemaal niet grappig, wat daar staat! De man waarover het bericht gaat, sprong met gevaar voor eigen leven voor zijn zoon en raakte gewond. Blijvend! Eigenlijk is hij een held. En toch is er iets, wat voortdurend op mijn lachspieren werkt, spieren die bij mij wel nog allemaal werken. Bij die man niet meer. (Daar ga ik weer.) De locatie waar een en ander zich afspeelde is goed voor een nieuwe lachsalvo. Het Nigel de Jongplein. Nigel de Jong! De enige voetballen zonder lachspieren. Die tijdens de WK-finale van 2010 schopte naar alles wat bewoog. Sommige Spaanse voetballers schrikken er nog zwetend van wakker. Net op dat plein werd Appie Nouri herdacht. Over Appie niets dan goeds, maar dat wisten we al. Het is droevig, ik geef het meteen toe. Zo jong. Zo getalenteerd. Zo eeuwig voortlevend als kasplant. Maar waarom werd hij herdacht met vuurwerk? Wat is daarvan precies de toegevoegde waarde? En waarom werd dat vuurwerk laag afgevuurd? Het is een cocktail van onhandigheid en zinloos (auditief) geweld die het geheel, het spijt me oprecht, komisch maakt. Voor mij dan. De bedoeling van die herdenking was waarschijnlijk goed, maar zij werd uitgevoerd zonder rekening te houden met zaken die de wellevendheid betreffen. Vuurwerk tijdens een herdenking, het heeft iets weg van totaal dronken op een begrafenis verschijnen – en struikelen en in de kuil vallen. Het mooiste is het slot van het artikel: Rachid en zijn familie vragen zich af hoe zoiets heeft kunnen gebeuren, ze ze komen graag in contact met de diegenen die het vuurwerk afstaken. Dat is de aankondiging van jarenlang zinloos procederen en het afdwingen van een schadevergoeding. De een zijn hersendood, en zo voort. (Hier de laatste lach laten wegsterven en serieus kijken.) Ik denk soms aan deze column, van Boudewijn Büch.

Caelum, non animum mutant, qui trans mare currunt

Het meest vrees ik, tijdens bijeenkomsten met het hoofd van de afdeling marketing, het Baudet-moment. Dat doet zich voor als de persoon die ons werk moet accorderen na het lezen van door zijn secretaresse uitgeprinte a-viertjes, hij leest namelijk liever van papier dan van het scherm, daar is hij heel ouderwets in, ouderwets is goed, vindt hij zelf, en op a-viertjes kun je ook gemakkelijker van die zeikerige commentaren zetten, of grote vraagtekens, of een lachend gezichtje, als je het voor de verandering eens de moeite waard acht wat je leest, het Baudet-moment dus, dat doet zich voor als deze persoon na lezing van ons werk achterover gaat zitten en zijn handen achter zijn hoofd vouwt, alsof hij dat voor een val wil behoeden. Na een stilte van ongeveer zevenduizend jaar zegt hij, altijd volgens een vaste formule: ‘De (beroemde/gelauwerde) schrijver (naam + nationaliteit invullen) schreef in zijn (roman/verhaal/dichtbundel, gevolgd door titel) heel terecht dat (citaat in Engels opnemen).’ Na nog een keer zevenduizend jaar zwijgen vraagt hij: ‘Heb je zijn/haar werk ooit gelezen?’ Ik zeg dan altijd nee, ik heb zijn/haar werk niet gelezen, en interessant dat je ermee komt, want ik heb al jaren de wens om zijn/haar werk te gáán lezen, ook toevallig. Vroeger zou ik hebben gezegd: Ja, dat werk las ik, en daarom weet ik dat je het verkeerd én in een andere taal dan de brontaal citeert. Vroeger is dood, begraven en tot stof vergaan. Meestal zijn die bijeenkomsten op vrijdagmiddag, als het weekend lonkt, en ik heb geen zin in discussies die tot na half zes kunnen duren. Dan mis ik het begin van de vrijdagmiddagborrel, het fijnste gedeelte, als iedereen nog ontspannen is en vol goede moed om er iets van te maken. Na het Baudet-moment en na mijn antwoord krijg ik absolutie, en met mij het hele team. Ga heen, en zondig niet meer. De juffrouw van de afdeling procurance heeft de speciaal voor vandaag gehuurde thuistap al helemaal onder de knieën.

Drie recensie op Voor de verre prinses

Voor de verre prinses is te koop bij de uitgever of bij de betere boekhandel.

Guus Bauer schrijft vandaag op Literatuurplein:  ‘De briefdagboekvorm blijkt daarvoor ideaal. Dat alles zo in elkaar grijpt, heeft de schrijver achteraf ook verbaasd. Dat spreekt voor deze bundeling. Net zoals een gedicht heeft het zich niet exact laten plannen, geeft het meer antwoorden, vooral ook aan de schrijver, dan in de eerste vraag van Ilja besloten lag. De veelkleurigheid zorgt ervoor dat de bundel uit vele invalshoeken is aan te vliegen. (…) Daarnaast is het taalgebruik van Breukers gewoonweg aanstekelijk. Hij weet daadwerkelijk te ontroeren, het onbestemde over te brengen zonder gezwollen zinnen. Het zijn ‘‘de gewoonste zaken van de wereld’’ die op zichzelf sterk genoeg zijn, zonder opsmuk het meeste effect hebben.’ (De recensie is nu ook geplaatst op Tzum. Lees verder

La luna, la bella luna

Het begon om acht uur met gerommel in de verte. Inmiddels weet ik wat dat betekent. Om kwart over acht leek het geheel over te drijven, maar daar laat ik me niet meer door in de luren leggen. Om half negen waren de eerste bliksemflitsen te zien. Geen donder nog. God stelde zijn fototoestel in. Hij gebruikt nog een analoog apparaat. De eerste regendruppels, heel dik en heel ver van elkaar af vallend, deden net alsof het niet ging regenen. Om vijf over half negen regende het: een gordijn water. Het geluid van water op een autodak. Om zeven over half negenen begon het onweer echt. Bliksemflitsen, donder, het was onmogelijk om te tellen tussen de flits en het geluid. Alles smolt samen. Ik stond op het balkon en snoof de geur op: een stad die wordt schoongewassen, een olifant van steen en beton. Om negen uur was alles voorbij. Het werd stil in het hofje. De televisietoren en de kerk hernamen hun plaats in het uitzicht. Heel even leek het volledig bewolkt te blijven. Tot de maan tevoorschijn kwam, la luna, la bella luna. Vol, of bijna vol. Ik stond op het balkon en dacht aan van alles. Aan twee meisjes in Utrecht. Aan mijn horoscoop van de volgende week. Aan het leven, waarvan de gebruiksaanwijzing soms zoek is.