Fragment uit: Mooie lieve schat

Het is een erg mooi boek, het nieuwe boek van Joubert Pignon. Het heet Mooie lieve schat. Ik heb het al drie keer gelezen. Dat komt omdat ik steeds vergeet dat ik het heb gelezen. Bij elke herlezing denk ik: Wat een mooi boek, gek dat ik het niet eerder heb gelezen. Het boek is als het leven zelf, je kunt er eindeloos mee bezig blijven. Een fragment:

Op straat houdt een vrouw me staande. Ze heeft haar fiets aan de hand, ik sta op de stoep, ze blokkeert het fietspad. Fietsers bellen en wijken uit naar de autoweg om erlangs te kunnen. Ze vraagt of ik mijn medemens wil helpen. Ik zeg niets maar blijf staan. Ik zeg niet dat ik mijn medemens nooit wil helpen, dat het mijn grote wens is dat al mijn medemensen doodgaan en dat er genoeg ingeblikt voedsel voor mij overblijft om twintig jaar mee vooruit te kunnen. De vrouw zegt dat een vriend van haar vermist wordt en ze vraagt of ik haar wil helpen zoeken. Ik zeg dat ik onderweg ben naar het bowlingcentrum, dat ik heb afgesproken met mijn vriend Harold, dat hij me een potje bowlen cadeau doet. De vrouw zegt dat haar vriend erg in de war is en dat hij snel moet worden gevonden. Ik vraag me af waarom mijn ontmoetingen met mijn medemensen altijd om confrontatie en conflict draaien. Ik draai me om en loop weg. Ik kijk niet meer om naar de vrouw maar hoop voor de bestwil van haar vriend dat hij nog even verdwenen blijft.

Advertenties

Fragment uit: Das Schloß van Franz Kafka

Das Schloß, dessen Umrisse sich schon aufzulösen begannen, lag still wie immer, niemals noch hatte K. dort das geringste Zeichen von Leben gesehen, vielleicht war es gar nicht möglich, aus dieser Ferne etwas zu erkennen und doch verlangten es die Augen und wollten die Stille nicht dulden. Wenn K. das Schloß ansah, so war ihm manchmal, als beobachte er jemanden, der ruhig dasitze und vor sich hinsehe, nicht etwa in Gedanken verloren und dadurch gegen alle abgeschlossen, sondern frei und unbekümmert; so als sei er allein und niemand beobachte ihn, und doch mußte er merken, daß er beobachtet wurde, aber es rührte nicht im geringsten an seine Ruhe und wirklich – man wußte nicht, war es Ursache oder Folge – die Blicke des Beobachters konnten sich nicht festhalten und glitten ab. Dieser Eindruck wurde heute noch verstärkt durch das frühe Dunkel, je länger er hinsah, desto weniger erkannte er, desto tiefer sank alles in Dämmerung.

Franz Kafka, Das Schloß uitgeverij Vitalis

ik kan nu niet praten (ik sta in het paleis)

Rob van Essen maakte kennis met Praag.

reddend zwemmen

praag 1 uitzicht vanaf burcht

1

Je mag niet klagen over de drukte in Praag als je daar zelf drie dagen lang een lichaam aan toevoegt – maar leeg is het er niet. Trage rijen bewegen zich door de smalle straten van de oude stad, over de Karelsbrug, omhoog naar de Burcht, en weer terug, alsof een filmmaatschappij bezig is met een opname waarvoor duizenden figuranten in vrijetijdskleding zijn opgeroepen, uit alle delen van de wereld. En ze hoeven weinig te doen, alleen maar een beetje rondkijken en zo nu en dan een trdelník kopen, een verondersteld traditioneel broodgerecht waarvan de stalletjes een zelfde weezoete geur verspreiden als de Nutella-winkels in Amsterdam. Qua drukte is Praag Amsterdam-over-een-paar-jaar. Maar kijk, ook dat is slechts schijnbaar. In de oude stad slaan we vanuit de beklemmende drukt een zijstraatje in naar een café dat ooit gefrequenteerd werd door Kafka en Max Brod en anderen uit diezelfde literaire kring…

View original post 2.172 woorden meer

Fragmenten uit: Paul Valéry, Cahiers

‘Van gevoel zou geen sprake zijn, wanneer het gevoel ergens op uit zou lopen – wanneer het in de daad of in het begrip recht op de dood afging. Maar zijn vaagheid is essentieel. Het is als de waarneming van iets doelloos. En het Ik komt inderdaad niet op een doel uit.
De aard, de essentie van het gevoel en de introering is niet te meten en staat dus tegenover gemakkelijk inpasbaar.Het is een soort definitie – en men moet het woord door het begrip onmeetbaarheid vervangen.’

‘Ieder mens bevat iets verschrikkelijk sombers, iets ongelofelijks bitters, iets dat het leven vervloekt, verafschuwt en haat, het gevoel in een val gelopen te zijn, men heeft geloofd en is bedrogen, geloofd te hebben bedonderd te zijn, veroordeeld tot machteloze woede en totale onderworpenheid, overgeleverd te zijn aan een barbaarse, onverzettelijke macht die geeft en terugneemt, die uitnodigt en in de steek laat, die belooft en verraadt en die, alsof het niet genoeg is, ons doet schamen ons bij haar te beklagen, haar als intelligentie, als voelend wezen te behandelen dat we kunnen raken.’

‘De hevigste razernij is de constatering dat kennis krachteloos ten opzichte van de pijn is. Intelligentie brengt het in kaart, beschrijft het, beheerst het en – kan niets.
Woede en schandaal.’

Uit: Paul Valéry, Cahiers, vertaald en ingeleid door Jan Fontijn, De Buitenkant, 2017

Over de (niet zo) noodzakelijke jeugdliteratuur

In een opiniestuk over de tanende aandacht voor jeugd- en kinderliteratuur op de website van Trouw citeert Bas Maliepaard de jeugdboekenschrijver Sjoerd Kuyper: ‘Het belang van jeugdliteratuur ontstijgt de boekenkast. Kinderboeken kunnen, als ze met de juiste instelling geschreven zijn, met het hart van een kind en de hand van een volwassene, van kinderen mooie grote mensen maken.’ Mij rijzen bij dit argument de haren ten berge. Ik zie die volwassene op een of andere manier meteen voor me, een wat weke persoon die deels in zijn kindertijd bleef hangen en af en toe de pedagogische zotskap opzet om vervolgens, als je echt pech hebt, op de problematiek van de tijd toegesneden (onverdraaglijk modieuze) boeken te gaan schrijven.

Lees verder

Tomáš Rosický in het bijna-donker

Foto: Wikipedia

Op 4 oktober is hij  37 geworden en hij speelt nog, of weer, na een verloren laatste seizoen bij Arsenal. Tomáš Rosický kwam gisteren pas in de tweede helft in het veld voor Sparta Praha. Toen hij aantrad veranderde er iets. Tot zijn komst was het ondanks de fijne sfeer in het stadion een matige wedstrijd. De spelers liepen de hele tijd op een kluitje, hieven buitenspel op als dat helemaal niet hoefde en waren vooral goed in onzuivere passes.

Rosiký maakte daar in zijn eentje een einde aan. Hij liep op het middenveld en gaf de ene fijne bal na de andere, achteloos, alsof hij alleen maar even wilde voordoen hoe het wél moest. Soms omspeelde hij iemand of zette hij een verdediger van Plzeň voor schut. Die lieten dat overigens niet ongestraft passeren, Rosický kreeg de ene schop na de andere. Een beetje eerbied voor voetbalgeschiedenis hebben ze niet in de stad waar de pils is uitgevonden. Zijn acties hadden het karakter van een wuivend korenveld, of van een hert in het bos, in de winter. Totale harmonie. Nadagen-voetbal. Bezonken meesterschap.

De zon was net ondergegaan en de lampen in het stadion flikkerden als sterren die bijna vallen en nog even zo veel mogelijk licht afgeven. Ik voelde de aandrang om even te huilen en om Rosický vervolgens ten huwelijk te vragen. En ik voelde het verlangen om ooit, al was het maar één keer, zo te kunnen voetballen. Om één keer te voelen dat het geen moeite kost. Om de kunst meester te zijn. Uiteindelijk verloor Sparta met 1-0 van Viktoria Plzeň en het was niet eens onterecht. Maar Tomáš Rosický in het bijna donker: dat neemt niemand me meer af.