Overlijden zonder Vestdijk te lezen en de hand als intiem lichaamsdeel (en nog van alles)

Foto: Wikipedia

Griet Op de Beeck is misschien misbruikt door haar vader. Er is een overdaad aan secundair bewijs, vertelde ze bij De Wereld Draait Door. Het gaat me niet om haar nieuwe ‘thema’ en ik wil ook niet meezingen in het koor van Op de Beeck-haters, integendeel, ik vind haar, hoe zeg je zoiets? – ik vind haar sympathiek. Wat me tijdens DWDD wel opviel: iemand die een boek geschreven heeft over incest, een roman, komt op televisie bijna een half uur vertellen over gebeurtenissen die in haar echte leven misschien hebben plaatsgevonden. De vraag of het een en ander iets met literatuur te maken heeft, wordt niet eens meer gesteld. Echt gebeurd is wel degelijk een excuus. Ik ben waarschijnlijk naïef als ik me daarover nog verbaas.

Lees verder

Advertenties

Ik probeer op mijn eigen neus te fluiten; over Pierre Kemp

Op bladzijde 88 en 89 van de bloemlezing Het regent in de trompetten, de mooiste gedichten van Pierre Kemp, uitgegeven bij gelegenheid van Pierre Kemps vijftigste sterfjaar, staan vier gedichten bij elkaar waarin Kemp poëticale uitspraken doet (en waarvan er een de titel aan de bloemlezing verschafte). Dit is het eerste:

Dante en ik

Ik probeer op mijn eigen neus te fluiten,
het lukt mij niet.
Mijn motieven waaien wel naar buiten,
maar vormen geen lied,
geen arabeske, geen canzone
of vluchtiger als in deze tijd,
een hupse hulde aan een schone,
niet oud-gekleurd en meer bereid.
Zo gaat mijn dure tijd voorbij.
Dit is ook het enige verschil tussen mij
en die geniale Zanger van de Hel,
want Dante kon dat wel. Lees verder

Fragment uit Wit van Han Kang

‘Op een novemberochtend zag ze de vlinder aan de rand van deze stad. Eén eenzame witte vlinder met dichtgevouwen vleugels op een rietveld. Sinds de zomer had niemand meer vlinders gezien. Waar had deze zich verscholen? De week ervoor was de temperatuur onverwacht scherp gedaald; misschien waren de vleugels een paar keer bevroren geraakt en was het wit er daardoor uit verdwenen, zodat ze hier en daar vrijwel doorschijnend waren. Zozeer zelfs dat de zwarte aarde erdoorheen schemert. Nog heel even, en het wit is volkomen weg uit de vleugels. Ze worden dan iets heel anders en de vlinder wordt iets wat geen vlinder meer is.’

uit: Han Kang, Wit, Nijgh & Van Ditmar, 2017 (vertaald uit het Koreaans door Marijke Versluys)

Goethe draaide zich om in zijn eenzame sarcofaag

Man sollte alle Tage wenigstens ein kleines Lied hören, ein gutes Gedicht lesen, ein treffliches Gemälde sehen und, wenn es möglich zu machen wäre, ein vernünftiges Wort sprechen.

Dit is geen uitspraak van mij, maar van Goethe. Ik vermoed uit zijn gesprekken met Eckermann, wiens graf ik ooit met Renate en de kinderen heb bezichtigd in Weimar. Terwijl Goethe eeuwig in de kelder van het eregebouw ligt, naast (een lege kist waarin) Schiller (zogenaamd is ondergebracht), moet die arme Eckermann zijn eeuwigheid in de open lucht doorbrengen, net buiten gehoorafstand van de Vereerde Meester, zodat, mocht deze eventueel opschrijvenswaardige quotes uitkramen vanaf zijn wolk, deze voor het nageslacht verloren zullen gaan. Lees verder

Mensen worden meestal ervaren in mondelinge vorm

Na lezing van dit onderzoek van Kila van der Starre, gisteren tijdens of voorafgaand aan de Nacht van de Poëzie in Utrecht gepresenteerd, een onderzoek dat haar zeker ooit de Roos Vonk-leerstoel zal opleveren, presenteer ik – nog steeds confuus van zoveel wijsheid – een samenvatting van Van der Starre’s titanenwerk:

Nederlanders denken bij de term ‘mensen’ vooral aan ‘institutioneel erkende’ mensen. Mensen die door erkende instanties erkend worden als mens, worden ook door het merendeel van de volwassen Nederlanders als zodanig erkend. Mensen met minder erkenning uit de officiële wereld zijn ook in de ogen van de meeste Nederlanders minder vaak mensen. Wel zijn dit soort mensen veel bekender dan de mensen die officieel als mens worden beschouwd. Denk hier aan de BraboNeger, Gerard Joling en de TuigVlogger. Wanneer Nederlanders denken aan mensen, denken zij in veel gevallen aan (het voorkomen van) officieel erkende mannen (zoals Barack Obama, Jesse Klaver of Vladimir Poetin). Lees verder

Een kamer in een statig herenhuis in het centrum van Kopenhagen

‘Verveling, verveling, smachten naar een glimp van geluk, wachten op de uren durende extase, de exaltatie der verbeelding, ja, nu moet zich iets voordoen, ik wil beslist deze avond niet nutteloos doorbrengen, en verdraaid, ik zie een kamer in een statig herenhuis in het centrum van Kopenhagen, naar de inrichting te zien ergens in de jaren 1920-1925.’

Lees verder

I am most faithless when I most am true

De poëzie van Edna St. Vincent Millay is eigenlijk altijd goed. Dat merkte ik tijdens het lezen van dit artikel op het (onvolprezen) weblog BraninPickings. Tegelijkertijd is er altijd wel iets op haar gedichten aan te merken. Ze vult haar regels tot over de rand, omdat ze anders niet kan zeggen wat ze precies wil zeggen. Dat geeft het geheel iets springerigs, iets onvoltooids. Het geeft niet. Het hoort zo te zijn. Juist op die momenten zijn haar gedichten goed. Ze staan niet alleen vol paradoxen, ze zijn ook op paradoxale wijze niet-helemaal-goed en daarom helemaal af. Dit voorbeeld: Lees verder