Ik probeer op mijn eigen neus te fluiten; over Pierre Kemp

Op bladzijde 88 en 89 van de bloemlezing Het regent in de trompetten, de mooiste gedichten van Pierre Kemp, uitgegeven bij gelegenheid van Pierre Kemps vijftigste sterfjaar, staan vier gedichten bij elkaar waarin Kemp poëticale uitspraken doet (en waarvan er een de titel aan de bloemlezing verschafte). Dit is het eerste:

Dante en ik

Ik probeer op mijn eigen neus te fluiten,
het lukt mij niet.
Mijn motieven waaien wel naar buiten,
maar vormen geen lied,
geen arabeske, geen canzone
of vluchtiger als in deze tijd,
een hupse hulde aan een schone,
niet oud-gekleurd en meer bereid.
Zo gaat mijn dure tijd voorbij.
Dit is ook het enige verschil tussen mij
en die geniale Zanger van de Hel,
want Dante kon dat wel.

Het is van een ontroerende niet-bescheidenheid, wat Kemp hier doet. Eerst zet hij een stapje terug, voor  ‘de geniale Zanger van de hel’, en vervolgens benadrukt hij dat er, als je het goed bekijkt, maar één verschil is: Dante kon op zijn neus fluiten (en een samenhangend lied vormen), Kemp kan dat niet. Hij moet zich tevreden stellen met de ‘kleine liederen’ die hij dagelijks componeert, de scherven van een groot werk. De dichter beklaagt zich, maar de vraag of hij het echt erg vindt dat hij ‘geen arabeske, geen canzone / of vluchtiger als in deze tijd, / een hupse hulde aan een schone’ maakt, is de vraag.

Dit is het tweede gedicht:

Dichterschemering

Het wordt erg stil om mij.
Alles rond me begint te lopen
op kussens. De zon, de bomen,
de bloemen staan gordijnen te kopen.
De muziek rijdt al in flessen voorbij.
Het duurt niet lang meer met mij.

Ik dacht tijdens het lezen aan Herman Gorter, en dan met name aan dit gedicht. Gorter, net als Kemp een dichter van het licht (en van de struikelende prosodie), maakte een herfst-gedicht, bij Kemp lijkt de winter aangebroken. Hij hoort niet meer zo goed, en ‘de zon, de bomen, de bloemen’ kopen gordijnen: ze strekken een scherm op tussen hun bloei, hun volledige aanwezigheid, en de dichter; en ze bestaan plotseling (als je het letterlijk leest) alleen nog maar op gordijnen, via een afbeelding van wat ze ooit waren.

Die in flessen voorbij rijdende muziek is me eerlijk gezegd een raadsel. Is dat, net als het op kussens lopen, een aankondiging van een beginnende doofheid, al dan niet metaforisch? Misschien. Wat de dichter wel weet: als het te stil wordt, en de zon (het licht), de bomen en de bloemen (alles wat om hem heen groeide) verdwijnen, dan is het snel met hem gedaan. Dat hij daar in een gedicht verslag van doet, maakt het geheel dubbel-schrijnend. Het verval kondigt zich aan in taal, in het enige middel dat de dichter tot zijn beschikking heeft en dat hem ten slotte ook in de steek zal laten.

Het derde gedicht:

Aan Adriaan Roland Holst

De dichter, zeer door U benijd
en die zich schijnbaar kan bevrijden
binnen de verfdoos van de Tijd,
moet vaak verzwegen lijden,
want hij weet niet, hoe dat het gaat
en wat de zin van zijn verdriet is:
dat hij zich weigeren moet aan wat bestaat
en maar moet houden van wat Niet is.

Net als in zijn vergelijking met Dante, zien we hier de (smiespelende) ironicus Kemp aan het werk. Zijn nederigheid (‘want hij weet niet, hoe dat het gaat’) is gespeeld, of in elk geval iets zwaarder dan noodzakelijk aangezet. Roland Holst weet dingen, Kemp is of speelt de onwetende naïeveling. De dichter Kemp ‘onthult’ in dit gedicht dat hij heus wel veel moet lijden, ondanks zijn luchtige imago, ook al is hij een soort voorafschaduwing van Toon Hermans, de man van het ballonnetje en de viehieeerentwiiiintig rooooozzen.

Natuurlijk zet Kemp ondanks dit alles een dubbele val in dit gedicht. Tot en met regel 6 is alles goed te volgen, maar dan! Die laatste twee regels halen alles wat hij eerder schreef onderuit, en als ze niet alles onderuit halen: wat doen ze dan? Wat zeggen ze?

Ik vind Kemp vaak veel raadselachtiger dan ‘moeilijkere’ dichters. Hier ontvouwt hij, op het oog, een poëtica van het verlangen, van een ‘houden van wat Niet is’, maar goed, dat is alleen maar op het oog (denk ik). Hij moet zich namelijk ook ‘weigeren (…) aan wat bestaat’. Dus hij moet wat wél is afwijzen, om verplicht te houden van ‘wat Niet is’. Van wie hij dat moet, zegt het gedicht niet. Blijkbaar is het gebod wel sterk genoeg, om onderhorig aan te zijn, zoals Roland Holst onderhorig was aan ‘de genade van het woord’.

Dichters zijn dus, zegt Kemp, mensen die de wereld, of dat, wat wel is, afwijzen, om vervolgens het niet-bestaande liefdevol te benaderen. Luchtfietsers. Romantici. Maar hij weet niet goed hoe dat gaat, en wat de zin van het jezelf op je eigen hals gehaalde verdriet is. Hij ontkent het dus, – iets waar hij op zijn beurt zélf onder lijdt: een perpetuum mobile van zinloos, geduldig gedragen lijden, dat daarin iets absurds krijgt. Kemp lijkt als dichter wel én niet op Roland Holst (maar beiden zijn ongeveer even groot, lijkt de impliciete boodschap).

En tot slot:

Aan een laatste gedicht

Het regent in de trompetten
en de bekers worden nat.
De regen is te betten,
maar de hele stad
met al haar muziek van regen
op schoorsteen, dak en plat
is mij toch ongenegen
en ik zeg haar dat!
Het protest van achter de lagen
wolken laat zich niet zien.
De zon kan zich niet meer verdragen,
stikt in olie en benzine.
Er is in dit al maar één puntje licht:
ik sterf in mijn laatste gedicht.

Als het regent, is het water nog wel weg te vegen, maar het gedruis op de stad is de dichter een gruwel. De regen neemt de plaats in van de zon. Die ‘stikt in olie en benzine’, waarmee de vereerde jubilaris een ecologisch-aangestuurde dichter avant-la-lettre lijkt te zijn. Tegelijkertijd is dit gedicht een negatieve poëtica: de regen kan de dichter nog wel verdragen, maar een hele stad die onder deze watermuziek gebukt gaat niet. Hij steekt dat niet onder stoelen of banken. De dichter protesteert tegen de omstandigheden.

Daarna gaat hij weer tegenstrijdige berichten afgeven. Is dat protest uit regel 9 geformuleerd door de dichter, of door de zon, die zich niet meer kan laten zien omdat het regent en omdat zij ‘stikt in olie en benzine’? Voor allebei de lezingen is iets te zeggen, zeker als je de slotregels erbij betrekt. De zon is weg, maar er is nog één puntje licht. Ondanks alles dicht de dichter door. Hij sterft pas in zijn laatste gedicht. Ondertussen is elk gedicht dat hij schrijft een klein stukje van de puzzel die wij pas na zijn dood helemaal konden leggen – al moet je daar wel veel geduld voor hebben en moet je bereid zijn om je elke keer op het verkeerde been te laten zetten.

Pierre Kemp is een onbescheiden-bescheiden, zelfbewust-semi-onnozele dichter van een groot oeuvre vol kleine gedichten, elk voor zich een van een hologram geslagen fragment, waarin het geheel (meestal) te zien is.

 

Pierre Kemp, Het regent in de trompetten, de mooiste gedichten van Pierre Kemp, samenstelling en nawoord Wiel Kusters en Ingrid Wijk, Vantilt, 2017.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s