Theo Sontrop overleden

Oud-uitgever Theo Sontrop is overleden. Dat meldt de website van de NOS. Hij werd 86 jaar oud. Ik maakte in 2014 een interview met hem voor De Boekenwereld. Twee dagen was ik daartoe op Vlieland, – en het waren nogal inspannende dagen, want Sontrop had toen nog de conditie van een postpaard. De tekst van het interview staat hieronder. Sontrop vond zichzelf overigens vooral een lezer, wat voor een uitgever zeer uitzonderlijk is: ‘Ik lees acht uur per dag. Daarom ga ik ook niet graag van het eiland, want dan ben je algauw drie dagen kwijt. Een dag onderweg, een dag op de plek waar je iets moet doen en een dag voor de terugreis. Daarmee verspeel je vierentwintig leesuren. Dat vind ik zonde.’

‘Ik bracht gewoon wat ik goed vond’

Interview met Theo Sontrop

Chrétien Breukers

Ik heb het gevoel dat ik een grand tour ga maken, zoals de zonen van de elite dat lang geleden deden. Het is prachtig weer op 17 juli 2013 en de reis voert me naar een exotische bestemming, althans voor mij. Anders dan de jonge heren uit vroeger eeuwen zet ik geen koers naar Italië, maar is Vlieland mijn eindbestemming. Veel Hollandser kun je het niet krijgen, al blijft het een stuk buitenland binnen de landsgrenzen. Nog vreemder: hoewel Vlieland vanouds Hollands is, Noord-Hollands, hoort het sinds 1942 bij Friesland en kun je het alleen benaderen vanuit Harlingen. Per veerboot. Op die veerboot wordt gefrituurd. In duurzaam vet, want de rederij meldt trots dat zij is aangesloten bij ‘Verantwoord Frituren’. De walmen zijn er niet minder om.

Ik ga naar Vlieland om Theo Sontrop te interviewen. De in 1931 geboren uitgever in ruste woont in het dorp Oost-Vlieland aan de Dorpsstraat, de levensader van dit door toerisme geteisterde eiland. Hij woont er zo’n beetje tussen de SPAR en de slijterij, in een huis waarvoor prachtige stokrozen als wachters in een oudroze kostuum in het gelid staan. Sontrop, sinds zijn emeritaat als uitgever niets veranderd, neemt enthousiast de fles witte wijn in ontvangst die ik voor hem heb meegenomen, na consult bij de met hem bevriende antiquaar René Hesselink van Hinderickx en Winderickx. Met zijn kenmerkende sonore stem zingt hij de lof van de fles. Ik ben geroerd, want zo ik iets ben, is het zeker niet: een wijnkenner.

Gastvrij word ik door de woonkeuken (boeken naast de tafel, tijdschriften en bladen op de tafel) naar de woonkamer geleid. Het lange en brede vertrek staat vol met boeken en kunst – de droom van elke liefhebber. Van buiten lijkt het huis klein, maar van binnen is het verrassend ruim, ongeveer zoals dat van de familie Wemel in de boeken over Harry Potter. Tegen de wanden van de huiskamer: boekenkasten. Aan de ene lange kant reiken de planken tot aan het plafond, aan de andere tot halverwege de muur. In de lage kasten staan lange rijen kunstboeken en daarboven hangen (evenals op andere boekenvrije plekken in huis) talloze kunstwerken, onder meer van zijn Utrechtse vrienden William D. Kuik (Dirkje Kuik) en Jacques Boersma (Alain Teister). Een bijzonder mooi stuk uit de collectie Sontrop is het dubbelportret dat Freddie Langeler rond 1937 maakte van zichzelf en haar toen ongeveer tienjarige dochter Fritzi Harmsen van Beek. Sontrop behoorde tot de vriendenkring van de dichteres, die in de jaren vijftig en zestig haar villa Jagtlust in Blaricum het trefpunt maakte van de literaire bohème. ‘Toen Fritzi Jagtlust moest verlaten, lag dit werk op zolder, met een flinke scheur erin. Zij wilde het weggooien. Ik heb het toen meegenomen en laten restaureren. Gelukkig maar.’

Theo Sontrop was uitgever van De Arbeiderspers in de tijd dat ik mijn literaire jaren des onderscheids probeerde te bereiken, ergens aan het eind van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig. Hij transformeerde de moloch die omnibussen uitgaf voor arbeiders (en enige literatuur, in een fonds dat door Martin Ros was opgezet) in een vooraanstaande uitgeverij waar ‘iedereen’ bij wilde horen. Auteurs als Gerrit Komrij, Jeroen Brouwers, Maarten ’t Hart, Mensje van Keulen, Eva Gerlach, E.M. Cioran, Tessa de Loo, Herman de Coninck, Luuk Gruwez, Anne Enquist, Knut Hamsun en Walter Benjamin: het fonds van De Arbeiderspers was sjiek en zat toch dicht op de huid van de tijdgeest, zonder modieus te worden. Deze reis van twee dagen naar Vlieland voert mij naar de bron van mijn eigen literaire ontwikkeling en voelt juist daarom als een grand tour.

Gelukstreffers en reeksen

Sontrop vertelt over de manier waarop de fondsvorming onder zijn leiding vorm kreeg. ‘Ik bracht gewoon wat ik goed vond. Ik had een abonnement op negen buitenlandse bladen en daarin las ik wat van belang werd gevonden. Soms vroeg je dan een boek aan en dan wist je meteen of het iets was. Er was in die tijd nog niet zoveel gedoe om rechten. Als je een Frans boek van Gallimard wilde brengen, belde je gewoon met de mevrouw die de rechten voor dit bedrijf deed en had je binnen een paar weken de rechten verworven. Agenten waren toen nog niet zo belangrijk als ze nu zijn.’

Het Nederlandse fonds kwam deels binnen via aanbeveling van redacteuren en adviseurs, deels via het beroemde, ik mag wel zeggen legendarische tijdschrift Maatstaf, in 1953 opgericht door Bert Bakker senior. Maatstaf was het huisorgaan waarin stukken werden voorgepubliceerd en waar veel (later bekende) auteurs hun debuut maakten. ‘Mijn opvolger Ronald Dietz heeft het blad de nek omgedraaid. Hij noemde het “een brievenbusblad”, omdat het vol zou staan met bijeengeraapt materiaal. Wie de nummers bekijkt die we jarenlang hebben uitgebracht, ziet meteen dat dit onzin is.’

‘Soms heb je ook geluk,’ herinnert Sontrop zich. ‘Toen we in 1983 De meisjes van de suikerwerkfabriek uitgaven, het debuut van Tessa de Loo, rekenden we op een verkoop van 5000 exemplaren. Maar alles rond dat boek zat mee. De foto op de achterflap was heel erg goed gelukt. De pers dook op de nieuwe auteur en de nieuwe titel. Ze deed het gewoon heel goed en in de jaren die volgden gingen er zo’n 65.000 exemplaren over de toonbank. Dat is geluk. Daar kun je niet op sturen.’

Sontrop werkte graag in reeksen als Open Domein –‘overigens geen vinding van Martin Ros’ – en Privé-Domein, dat volgens hem werd bedacht door Johan Veeninga. ‘Open Domein was een reeks waarin we soms heel bijzondere dingen hebben gedaan. Samen met de productieafdeling, met Wim Mol, heb ik dat bijzondere formaat ontwikkeld. Mooi, bijna vierkant, lekker groot, zodat je veel tekst op de pagina kon plaatsen, met kop- en voetwit.’ De reeks bestaat nog steeds. In 2011 verscheen daarin bijvoorbeeld de biografie die Aleid Truijens schreef over F.B. Hotz: Geluk kun je alleen schilderen. Dezelfde Hotz van wie Sontrop een verhaal ontving voor Maatstaf. Sontrop weet nog dat hij het manuscript van ‘De tramrace’ kreeg toegezonden, ‘getypt op een wat morose machine, met dichtgelopen e’s en a’s.’ Hij las het verhaal en besloot meteen om deze auteur in Maatstaf te brengen en liet Martin Ros om meer werk vragen. ‘Achteraf hoorde ik van Hotz dat deze poging zijn laatste was. Hij had zich voorgenomen om, als dit niks werd, nooit meer iets te schrijven.’

Zelfs na zijn pensioen is hij nog bezig met het ontdekken van nieuwe talenten. Op een dag kwam hij op het terras van het Vlielandse café Tante Pé in gesprek met een jonge auteur die korte verhalen schreef. Sontrop las ze en diende de volgens hem getalenteerde auteur van advies. Een paar jaar later verscheen zijn debuut, een verhalenbundel, die én is opgedragen aan Sontrop én een mooi verhaal bevat waarin hij de hoofdrol speelt: het slotverhaal ‘Blauw’. Dat was de razende entree van A.H.J. Dautzenberg in de Nederlandse letteren.

De Zeeuwse Rimbaud

De eerste dichtbundel die ik kocht (voor negentig cent bij De Slegte in Maastricht), heette Wie wat bewaart heeft wat (1974) en was geschreven door Berend Lasseur. Mijn tweede dichtbundel kocht ik dezelfde dag, voor hetzelfde bedrag: Verzamel de wolken op je gemak (1975) van de ‘Zeeuwse Rimbaud’ Peter Simpelaar. We waren op stap met de middelbare school, ik weet niet meer waarheen. De aankoop herinner ik me nog goed. Als extraatje kocht ik Over hasjiesj van Walter Benjamin, een deel uit de Synopsis-reeks (1974). Het kostte tien cent meer: een gulden. Drie boeken van de Arbeiderspers stonden ergens aan het begin van mijn ‘bibliotheek’, nou ja, van mijn kleine verzameling eigen boeken. Voor twee gulden en vijfennegentig cent was mijn leven als boekenmens begonnen.

Gevraagd naar Lasseur, die later nooit meer een bundel publiceerde, zegt Sontrop: ‘Ach ja. Die jongen had MS. Ik ben nog naar hem toe geweest. Het was zo droevig allemaal, ik kon het gewoon niet meer niet doen en heb de bundel toen gepubliceerd. Een jaar later was hij dood. Het was geen grote, maar ook geen slechte poëzie, al heb ik me hier zeker laten leiden door de omstandigheden waarin hij verkeerde. Na thuiskomst heb ik nog een week lang onrustig geslapen.’

Sontrop is een verwoed lezer. ‘Ik lees acht uur per dag. Daarom ga ik ook niet graag van het eiland, want dan ben je algauw drie dagen kwijt. Een dag onderweg, een dag op de plek waar je iets moet doen en een dag voor de terugreis. Daarmee verspeel je vierentwintig leesuren. Dat vind ik zonde.’ Zijn bibliotheek is door het hele huis verspreid en is zelfs doorgedrongen tot in het tuinhuis (daar staan veel Engelse titels). Alles heeft zijn plek gekregen: van zeer bibliofiele stukken tot gewone paperbacks, al zijn die in de minderheid. Delen uit de Pléiade-reeks en schitterend uitgevoerde verzamelde werken geven het geheel een ouderwetse voornaamheid, alsof je in de bibliotheek van een groot landhuis of klooster bent.

Een bibliofiel curiosum is Ken je me nog van Simon Carmiggelt, een uitgave van de Cornamona Pers van Geert Lubberhuizen (die met Cornamona liefhebberde na zijn pensionering als directeur van de Bezige Bij). Het boek, nummer een van vijftien in heelleer gebonden exemplaren, heeft als opdracht: ‘Voor Theo, Na de catharsis. Simon 2 juli 1986’. Sontrop licht toe: ‘Midden jaren tachtig begon de verkoop van Carmiggelt wat in te zakken. Normaal maakten we een eerste druk van 50.000 exemplaren, gevolgd door een tweede van 10-15.000. Maar toen bleven ineens duizenden exemplaren van zijn boeken lange tijd liggen in het Centraal Boekhuis, een kostbare aangelegenheid voor de uitgeverij. Met Simon viel daarover te praten, hij begreep dat het voor ons te duur werd. Maar een auteur als Carmiggelt verramsj je niet. Dus bleef er maar één oplossing over: door de papiermolen. Dat hebben we gedaan en daar verwijst deze opdracht naar.’

Carmiggelt was een van de kurken waarop de uitgeverij dreef. ‘Hij en Maarten ’t Hart, die ook altijd goed was voor grote verkopen,’ zegt Sontrop. ‘Boudewijn Büch liep ook goed, maar toch minder dan ’t Hart.’ Volgens Sontrop waren de overheadkosten in zijn tijd veel lager en hadden de managers (door hem consequent als ma-ná-gers uitgesproken) en de aandeelhouders nog geen volledige greep op het uitgeversbedrijf gekregen. ‘Als wij twaalfhonderd exemplaren van een boek verkochten, waren we al aardig uit de kosten. Daarna begonnen we geld te verdienen.’ De oplages lagen in de tijd dat Sontrop uitgever was sowieso heel anders dan nu. Een voorbeeld is de Synopsis-reeks, waar er volgens Sontrop gemiddeld 3500 van werden opgelegd. Het is een aantal waar menig uitgever nu met jaloezie naar kijkt.

Meulenhoff en verder

Sontrop maakte zijn ‘debuut’ in de literaire uitgeverij bij Meulenhoff, waar hij in 1968 in dienst trad. Daarvoor was hij onder meer redacteur bij de Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij en bij Uitgeverij Van Ditmar (niet te verwarren met Nijgh en Van Ditmar). Van Ditmar was de uitgeverij die hoorde bij het beroemde importbedrijf, ‘onder leiding van een zekere jonkheer Van Rijckevorsel, die om vijf uur op de uitgeverij kwam en om een uur of acht weer naar huis ging. Ik was daar zogenaamd directeur, maar had niets te zeggen.’ Terugdenkend aan zijn tijd bij Van Ditmar ziet Sontrop toch een lichtpunt: ‘Alles wat terugkwam van de boekhandel kon ik zo mee naar huis nemen. Ik verzamelde voornamelijk ghost stories, die vind ik leuk, vooral als ze echt te gek en onwaarschijnlijk zijn. Ze staan nog steeds hier, in het tuinhuis.’

In die tijd was er een enorme toevloed van Engelse pornografie. ‘Op een bepaald moment zei de jonkheer: “We gaan toch stoppen met de uitgeverij, maar als we die nu eens gaan ombouwen tot een bedrijf dat zulke boeken in vertaling uitgeeft, zou u dat kunnen?” Ik zei dat ik dat ongetwijfeld zou kunnen, maar niet zou doen. Het wordt meteen zo halfsmoezelig. Daarna heb ik Oscar Timmers van De Bezige Bij gebeld om te vragen of hij iets wist en hij zei me toen dat ze bij Meulenhoff iemand zochten.’ Solliciteren deed Sontrop niet. ‘Ik vroeg aan Oscar: “Kun je niet aan Willem Bloemena, toen de grote man bij Meulenhoff, vragen of hij mij wil opbellen. En dat heeft hij gedaan. Ik kon meteen beginnen.’

Meulenhoff was in die tijd een van de grotere Nederlandse uitgeverijen en Sontrop werd hoofdredacteur. ‘Ik was het manusje van alles en heb daar mijn migraine ontwikkeld. Ik deed echt alles. Ik had een thuisdag om prospectussen en zo te schrijven, ik sliep zo’n vier uur per nacht en verder knapte ik alles op, van redactie tot persklaar maken. Het was pure sloop.’ Wel deed hij daar een paar ontdekkingen. ‘Ik heb Rudy Kousbroek binnengehaald en Maarten Biesheuvel. Dat waren toch twee klappers. William D. Kuik heb ik binnengehaald, en in de vertaalde sector ook veel werk. Patrick Modiano bijvoorbeeld. John Updike had toen geen uitgever. Saul Bellow. Alles was toen nog zo gemakkelijk, de concurrentie was over het algemeen heel slaperig. Ze hielden ternauwernood in de gaten wat er speelde.’

Gerrit Komrij

De ontdekking van Gerrit Komrij verliep via Eli Scheen, telg uit de familie achter uitgeverij De Tijdstroom. Scheen klopte bij Sontrop aan met een stapel manuscripten, want hij wilde een poëziereeks opnemen in zijn fonds. ‘Ik las de bundels en zei dat er maar één manuscript publicabel was. Dat was de bundel van Gerrit. Een reeks had De Tijdstroom niet in handen, maar ik zei tegen Scheen dat ik wel mijn best zou doen om die bundel onderdak te brengen. Dat lukte bij De Arbeiderspers. Ik werkte toen nog niet bij Meulenhoff, anders had ik hem daar natuurlijk mee naar toe genomen. Maar hij kwam later wel naar Meulenhoff en ging vervolgens weer met mij mee naar De Arbeiderspers.’

Het literaire fonds was bij Meulenhoff grotendeels in handen van Willem Bloemena. ‘Hij had een stel jonge auteurs aangetrokken die hij wilde inzetten tegen de hegemonie van De Bezige Bij. Helaas waren het niet de beste schrijvers, die het dan ook niet konden waarmaken en merendeels vergeten zijn.’ Een aantal van hen is later redelijk goed terechtgekomen (Ton van Reen, Henk van Kerkwijk, Mark Insingel), maar samenwerking met Sontrop zat er niet meer in. ‘Ik herinner me nog een auteur die Frans Broers heette, ik meen uit Tilburg afkomstig [alias J.F. Vogelaar, destijds onder contract bij Meulenhoff, CB]. Die kwam op een dag op mijn kantoor bij Meulenhoff. Zo’n linkse jongen met een slobbertrui. Die sliep natuurlijk in die kleren en daarom moest ik nadat hij was vertrokken de ramen tegen elkaar open zetten.’

Ton van Reen beweerde ooit dat Sontrop hem bij Meulenhoff aan de deur zette met de mededeling: ‘Je bent een nog waardelozer schrijver dan Nooteboom.’ Dezelfde Nooteboom die later, bij De Arbeiderspers, een van de steunpilaren van het fonds zou worden, onder de leiding van dezelfde Sontrop. ‘Dat kán ik nooit zo gezegd hebben, ik weet zeker dat dat niet klopt.’ Zulke anekdotes zijn tekenend voor de ‘literaire wereld’ waarbinnen Sontrop een jaar of vijfentwintig een gezichtsbepalend figuur was. ‘Ik was er dol op. Maar het voordeel was natuurlijk, dat ik er niet zo aan mee hoefde te doen, niet zoals Cees Nooteboom of Harry Mulisch.’

Niet droog achter de oren

Toen Sontrop in 1972 aantrad bij De Arbeiderspers, begonnen zijn gloriejaren als uitgever-directeur. ‘Bij Meulenhoff werkte ik graag. Willem Bloemena raakte echter wat in de versukkeling en ik moest, als gezegd, heel hard werken. Natuurlijk werd ik onderbetaald, maar dat was mijn eigen schuld. Dan had ik maar iets moeten zeggen. Een maand of drie voor mijn vertrek begon ik me er toch een beetje zorgen over te maken dat Bloemena nog niet voor een opvolger had gezorgd. Ik droeg de firma een warm hart toe. Bloemena kwam met een neerlandicus, ik zei: “Die moet je niet nemen, dat wordt een ramp. Maar ik weet wel iemand, de secretaris van Pierre Vinken. Al vier jaar. Als je dat kunt volhouden, heb je bijzondere capaciteiten. Hij heeft ook nog eens voor ons iets vertaald, en hij is een kenner van het surrealisme. Laurens van Krevelen.” Die is het geworden.’

Bij De Arbeiderspers ging de directeur, D.H. Landwehr, in 1971 met pensioen. Dezelfde Landwehr die over Sontrop had beweerd dat hij als hoofdredacteur van Meulenhoff ‘er niks van kon en nog niet droog was achter de oren’. Dat bleek allemaal mee te vallen. Landwehr liet een grote, algemene uitgeverij achter, met succesvolle reeksen als de Grote ABC-pockets en het Privé -domein. Zijn opvolger was, ad interim, Herman Koch. ‘De vader van. Die zat nog vijf maanden gelijk met mij bij op kantoor, om mij in te werken. Helemaal nergens voor nodig, al kon het ook geen kwaad. Op een dag kwam hij met verhalen van zijn jonge zoon, ook Herman geheten, aanzetten. Ik las die en vond ze opmerkelijk goed. “Van die jongen gaan we nog veel plezier beleven,” heb ik toen gezegd.’

Het onderkennen van talent is een van Sontrops, eh, talenten. ‘In Maatstaf konden we hun werk publiceren.’ Zoals gezegd is Sontrop nog steeds trots op het blad, dat hij onder zijn directeurschap tot bloei bracht. ‘Toen ik aankwam, waren Martin Ros en Gerrit Komrij de redacteuren. Ik zei meteen: “Dat gaan we anders doen.” De redactie werd uitgebreid, onder meer met Harry G.M. Prick en Ethel Portnoy, en het formaat heb ik veranderd. Maatstaf was heel klein, ik zei altijd tegen Martin Ros: “Als ik het onder een luciferdoosje leg, raakt het al kwijt.” Dat moest groter, op een bijna vierkant formaat, gedrukt op gevergeerd papier. Ook kwam er een portfolio in het blad.’

Op dit moment zitten literaire bladen niet bepaald in de lift, al lijkt het succes van Das Magazin een opleving aan te kondigen. Dat is een blad met een heel eigen, ‘jonge’ toon, zoals die destijds ook in Maatstaf te beluisteren was. ‘Je merkte dat de inzendingen steeds beter werden, toen we het roer omgooiden. Het was zeker in die jaren echt een toonaangevend blad met tussen de twaalfhonderd en veertienhonderd abonnees.’

Zelf herinner ik me nog de sensatie die rond het verschijnen van een nieuw nummer hing. Ik las dat altijd in de schoolbibliotheek in Weert en heb veel gehad aan de poëziekroniek Ceterum Censeo van Rob Schouten en aan de soms prettig-tegendraadse toon die uit de fraai vormgegeven kolommen opsteeg. Maatstaf wás toen echt iets. Het is inderdaad zonde dat later ‘de stekker eruit is getrokken’. Had de uitgever echt áchter het blad gestaan, zoals Van Oorschot achter Tirade, dan was de afloop minder (onnodig) dramatisch geweest.

Boekhandels

Sontrop vertelt met liefde (en soms met minder liefde) over boekhandels, zoals de Selexyz, tegenwoordig Polare, in Maastricht, waar ze volgens hem veel en veel te weinig op voorraad hebben. ‘Ik was er een jaar of vier geleden een keer. Aan een jongeman die daar werkte, vroeg ik waar de afdeling Frans was. Die bevond zich op de overloop. Maar ik zag er alleen drie meter pockets. Verder hadden ze niks.’ Athenaeum aan het Spui (‘een van de beste boekhandels ter wereld’) en de boekhandel van Karel van Boeschoten aan de Huidenstraat in Amsterdam kunnen hem wel nog steeds bekoren, al is Van Boeschoten inmiddels onderdeel van de geschiedenis. ‘Igor Cornelissen heeft er mooi over geschreven. Van Boeschoten had contacten met de Derde Internationale. Tijdens de Algerijnse oorlog zaten de mensen van die beweging klem en hebben ze in een grote vrachtauto zes of zeven kisten bij Van Boeschoten gestald. Later zijn die dingen bij het Instituut voor Sociale Geschiedenis terechtgekomen. Hij is stuk gegaan aan alle studenten die op rekening bij hem kochten en nooit, of nauwelijks, betaalden.’

‘Als je bij hem binnen kwam, zag je Van Boeschoten achter een stapel tijdschriften zitten. Daar draaide hij voor een deel op, dat waren bladen voor instituutsbibliotheken of zo. Voor de bezorging had hij een criminele geweldpleger in dienst. Soms kwam je er en dan vroeg je waar die man was, dan zei Van Boeschoten: “Die zit weer een paar weken vast, want hij heeft iemand neergeslagen” of zoiets. Hij hield hem toch in dienst, hij vond het een leuke man. Zo was Van Boeschoten.’

Op een dag kwam Sontrop in de winkel en zag hij dat de eigenaar met een heer in gesprek was, op de verhoging waar hij kantoor hield. ‘Van Boeschoten kwam naar me toe en vroeg of ik de heer Bloem kende. Ik kende hem niet en werd door de altijd aardige Van Boeschoten aan hem voorgesteld. Ik keuvelde een minuut of vijf en ging weer terug naar beneden, naar de winkel. Toen hoorde ik dat Van Boeschoten aan Bloem vroeg: “Jacques, hoe gaat het met je been?” Bloem stond op en trok zijn broekspijpen op. Ik zag eerst sokken en sokophouders en dan een paars onderbeen. Dat liet Bloem aan Van Boeschoten zien. Ik heb daar altijd iets over willen schrijven: “Het been van Bloem”. Het was ongeveer een jaar voor zijn dood.’

Afreis

Na twee dagen in Vlieland ga ik weer weg. Op de veerboot slaat de lucht van het verantwoorde frituren me tegemoet. Maar ik ben gelukkig, want ik ben twee dagen in een andere wereld geweest. Ik kijk naar de zee, nou ja, naar de Waddenzee, en zie Terschelling in de verte liggen. Bij het afscheid stond Theo Sontrop in de deur en zwaaide me uit. Ik had altijd het idee gehad dat hij me veel zou kunnen vertellen, en dat is ook zo. Van de bijna zes uur die ik heb opgenomen, is dit nog maar een korte weergave. Misschien te kort.

Terwijl de toeristen in de rij staan voor een bord frites met gehaktbal, denk ik terug aan de dingen die mij zijn verteld en die ik niet heb opgenomen. Over Robert Loesberg bijvoorbeeld. Sontrop liet me een bijzondere, ingebonden editie van Enige defecten zien, gesigneerd door Loesberg op de dag waarop zijn vriendin (die in een treinongeluk was gebleven) werd begraven. Een ontroerende opdracht. Gelukkig is dit bijzondere boek vorig jaar weer onder de aandacht gebracht dankzij een herdruk van Uitgeverij Lebowski. Met het bemoedigende idee dat je soms iets moois aan de vergetelheid kunt ontrukken beëindig ik mijn grand tour. In Harlingen-Haven stap ik op de trein naar Leeuwarden en naar de bewoonde, maar niet altijd bezielde wereld.

© Chrétien Breukers

Advertenties

4 gedachtes over “Theo Sontrop overleden

  1. Pingback: Tzum | Nieuws: Uitgever Theo Sontrop (1931 - 2017) overleden - Tzum

  2. Pingback: Theo Sontrop overleden. Sontrop en het eindeloze lezen. | Blog van Renzo Verwer

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s