Een droog, onooglijk kralensnoer van bijen

Mandelstam na zijn arrestatie in 1938

Het is 1920. De burgeroorlog in Rusland woedt. Osip Mandelstam schrijft een gedicht over dood, leven en liefde. De Aafke Romeijn van die tijd vindt het niks: ‘Je wil niet de schrijver zijn die in 1920 een gedicht schreef over of de bijenteelt.’ Later, veel later, wordt het gedicht vertaald door Hans Boland en op 21 maart 2017 publiceert Raymond Noë het op LaurensJz.Coster. Ondertussen is Mandelstam in 1938 bezweken in een van de doorgangskampen van kameraad Stalin, die in 1920 nog aan de goede kant van de geschiedenis stond. Het tere gestel van de dichter was niet bestand tegen de heropvoedingsmethoden van de bolsjewisten. Hij was in dat kamp terechtgekomen omdat hij een spotgedicht op Stalin had geschreven. Niet elk engagement is verstandig.

Het werk van de vermoorde dichter is tot ons gekomen omdat zijn weduwe Nadezjda Mandelstam het uit haar hoofd heeft geleerd, uit angst voor confiscatie van manuscripten, en doorgaf aan de volgende generaties. Zij had geen twitter of facebook en kon zich alleen maar beroepen op haar geheugen; dat was overigens een bijna brandvrij magazijn, getuige de memoires die zij eind jaren zestig publiceerde. In het Engels heetten die twee delen: Hope against hope en Hope abandoned. En die titels zeggen genoeg. Er was niet veel te hopen, voor de weduwe Mandelstam. Ze had alleen het werk van haar man, en de eeuwige tegenwerking van de rode fascisten in eigen land. In 1980 overleed ze, net te vroeg om de Glasnost nog mee te maken.

Het gedicht gaat in de vertaling van Boland zo:

Neem rustig uit de holte van mijn handen
Een beetje zonlicht en een beetje honing,
De bijen van Persephone ter wille.

Een varend scheepje is niet af te meren,
Een schim in bont geschoeid is niet te horen,
Doodstille levensangst niet te bedwingen.

Het enige wat overblijft zijn kussen,
Als kleine bijen met behaarde lijfjes,
De korf verlatend, uitzwermend en stervend.

Zij ritselen in blanke, diepe nachten,
Zij komen uit de Taigetos, het oerwoud,
Zij voeden zich met tijd, munt, honingklaver.

Ontvang dan, als je wilt, mijn wilde gave,
Een droog, onooglijk kralensnoer van bijen
Die bij hun dood uit zonlicht honing maken.

Natuurlijk is het gedicht toch, op een bepaalde manier, ‘geëngageerd’. Terwijl de lijken zich zowel bij de witten als de roden zich opstapelen, schrijft Mandelstam een gedicht waarin hij oproept iets te doen ‘de bijen van Persephone ter wille’. Persephone, uit de mythe, leeft de helft van het jaar in de onderwereld, om in de lente en de zomer weer boven de grond te komen. (Daarom is 21 maart ook een ideale dag om dit gedicht te publiceren en ben ik vandaag dus een dag te laat.) Ze ‘symboliseert’ de wisseling van de seizoenen, de eeuwige wederkeer ervan, desgewenst.

Het meest veelzeggend vind ik de tweede strofe: ‘Een varend scheepje is niet af te meren, / Een schim in bont geschoeid is niet te horen, / Doodstille levensangst niet te bedwingen.’ Los van de rest van het gedicht lijken de eerste twee regels wel een omschrijving van de heersende terreur én van wat er in Rusland allemaal nog te gebeuren staat. Zelfs de levensangst houdt zich doodstil. Ondanks dit alles schrijft Mandelstam over de eeuwige wederkeer van de seizoenen, over de bijen die ‘bij hun dood uit zonlicht honing maken.’ Een bijna zelfbewuste formulering, een poëtica, een opstand van het woord tegen de willekeur van alle vormen van geweld: ‘kussen, / Als kleine bijen met behaarde lijfjes, / De korf verlatend (…).’

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s