En toen aten we zeehond

‘Schrijven in fragmenten: de fragmenten zijn dan steentjes op de omtrek van de cirkel: ik stal mezelf rondom uit: heel mijn kleine universum in brokken; en in het middelpunt, wat is daar?’ Dat is een citaat van Roland Barthes, uit Roland Barthes door Roland Barthes, vertaald door Michel J. van Nieuwstadt en Henk Hoeks en uitgegeven door SUN in 1991. Ik heb het altijd een mooi beeld gevonden. Losse stukken die samen een geheel vormen en toch iets verhullen. Barthes’ woorden schoten me te binnen tijdens het lezen van En toen aten we zeehond van Nicoline Timmer.

Daarnaast is een boek dat uit fragmenten bestaat aantrekkelijk omdat het de lezer veel ruimte geeft om zelf een verhaal vast te knopen aan wat hij onder ogen krijgt. Het wit tussen de fragmenten geeft je de ruimte om zelf, bijna letterlijk, op verhaal te komen. Soms is een fragment onduidelijk, of hermetisch, of je vindt er niks aan, want fragmenten bestaan allemaal op zichzelf en nodigen de lezer uit om steeds iets over de tekst te vinden, maar dan stap je gewoon over de witregel naar het volgende.

Ik herinner me, overigens, dat ik deze overwegingen ooit, ergens in het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw, tijdens een openbaar interview in Diogenes in Nijmegen, voorlegde aan Joost Niemöller. Die zei toen: ‘Ja, ach, Barthes, dat weten we nu wel.’ Daarom moet hij nu voor straf al jaren over politiek schrijven. Dat komt ervan.

De afgelopen jaren heb ik een paar boeken gelezen die me, juist door het fragmentarische, heel lang bezig hielden. Dept. of speculation van Jenny Offill, De zonen van het uitzicht van M. Februari (daar was ik wat laat mee) en De dag dat de gieren buigen van A.H.J. Dautzenberg, een ‘verhalenbundel’ in dialogen, die samen zo ongeveer een ‘roman’ vormen. Breed opgezette verhalen vervelen me soms, hoe mooi ze ook zijn. Timmer zegt, op bladzijde 103 van haar boek:

Je probeert Butterfly stories te lezen, maar raakt verstrikt al in de eerste zinnen. In Parijs (omdat je geen ander boek had meegebracht) las je You Bright and Risen Angels, en zag heus wel dat het goed was, maar wilde je het lezen? Misschien wil je wel helemaal geen verhalen meer lezen.

Ik moest beide titels even googelen. Dat geef ik eerlijk toe. Net zoals ik eerlijk toegeef dat ik de Lecture on ethics van Ludwig Wittgenstein niet ken, en omdat teksten die in een boek als En toen aten we zeehond een belangrijke rol spelen er iets meer toe lijken te doen dan in een ‘gewoon’ boek, of eigenlijk: omdat andermans teksten in fragmentarische boeken meer aan de oppervlakte van het tekstweefsel komen te liggen, heb ik het idee dat ik die lezing eerst moet lezen, voordat ik het boek helemaal kan begrijpen.

Ik ben nu op bladzijde 105 (je doet soms lekker lang met fragmentarische boeken), bij deze zinnen:

Even later vliegt een kleine koolmees door het open raam. Angstig zit hij op de gele ongebruikte stoel. Zijn vleugels rafelen langs het plafond als hij plotseling een vlucht waagt. Een akelig geluid. Hij snapt niks van opzij en omhoog.

Advertenties

Een gedachte over “En toen aten we zeehond

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s