Geschiedenis van de literatuur in Limburg

Het boek Geschiedenis van de literatuur in Limburg is zo groot en dik dat je er, als je goed mikt en een bepaalde hoek kiest, iemand in één klap mee kunt doodslaan. Het monumentale karakter van de uitgave, 20 centimeter breed en 27 centimeter hoog, straalt uit dat er wel iets bijzonders aan de hand moet zijn, met die literatuur in Limburg. Jammer genoeg weet je na lezing van alle 768 pagina’s nog steeds niet wát.

Twee zielen wonen, ach, in de Limburgse borst. Dat geldt voor alles. Geen enkele Limburger voelt zich echt een Nederlander, ook al hoort hij cultureel en staatkundig bezien bij Nederland. Geen enkele Limburger houdt van ‘Holland’, het gebied dat boven de rivieren begint, maar als het er op aankomt wil hij maar wat graag deel uitmaken van wat ‘Holland’ kenmerkt. Om een beetje aanzien verkoopt ook de Limburger (wat er over is van) zijn ziel. Maar heeft hij wel een ziel? Een taal heeft hij in elk geval niet. Hij heeft alleen dialecten.

In Friesland hebben ze het literair gezien beter geregeld. Daar is een gemiddelde van alle streektalen tot officiële taal gepromoveerd en is er in de loop van de jaren zoiets ontstaan als een eigen literatuur – een kleine literatuur, door weinig mensen gelezen en door nog minder mensen geschreven. Maar het is een eigen literatuur die is neergelegd in gedichten, romans, toneelstukken, filmscripts en zo voort. Dat de Friese literatuur alleen nog kan bestaan omdat zij aan de beademingsapparatuur van subsidies hangt, is geen tegenargument; dat geldt voor het grootste deel van de Nederlandstalige literatuur ook.

Terwijl de Friezen rustig ronddobberen in de illusie dat ze een eigen literatuur hebben, en auteurs als Albertina Soepboer en Tsead Bruinja nu eens in het Fries schrijven en dan weer in het Nederlands, al naar gelang hun inspiratie het ingeeft, is er in Limburg geen officiële taal en dus geen officiële literatuur. Alle teksten die in het dialect zijn geschreven, dragen kenmerken van de plaatselijke of regionale streektaal. Een gedicht in het Venloos ziet er heel anders uit dan een gedicht in het Sittards.

Er is dus, op dit moment, geen sprake van een Limburgse literatuur. Zij heeft alleen geschiedenis. Want vroeger, ja vroeger, toen was alles beter. En vooral anders. Hendrik van Veldeke, altijd maar die vermaledijde Van Veldeke, schreef in een taal die Limburgs te noemen is, of Middelhoogduits, of wat die types toen ook spraken en/of schreven. Die taal werd gesproken in een cultuurgebied dat nu is versnipperd over Duitsland, België en Nederland, vandaar ook de verering van Van Veldeke in deze drie landen. Maar of hij Limburgs was, dat is de vraag. Limburgs van afkomst, min of meer. Maar Limburgs zoals ‘wij’ Limburgers dat in het begin van de eenentwintigste eeuw zijn?

Hoe het ook zij, de geschiedenis van de Limburgse literatuur is wel zo ongeveer te schrijven, als je je beperkt tot de grenzen van wat nu de provincie is en als je ruimhartig bent met het opnemen van mensen die geen Limburgers van geboorte waren, maar er wel hebben gewoond. Daarmee zijn de eerste hoofdstukken van deze Geschiedenis van de literatuur in Limburg ook meteen het interessantst. Je krijgt een stoet schrijvers, schrijvende monniken, gekwelde dichters en prozaïsten gepresenteerd waar je over het algemeen nooit van had gehoord. Het boek is in deze hoofdstukken ook echt een geschiedenis, zelfs al blijft het onduidelijk wat die Limburgse literatuur nou precies is: het is er een geschiedenis van ‘de’ literatuur in een bepaald gebied, tijdens een door de auteurs omschreven periode.

Of laat ik het uitbreiden: alle hoofdstukken die tot en met 1945 lopen, zijn de moeite waard. Zelfs de bijdragen van Peter Winkels en Prof. Dr. Wiel Kusters OFM zijn, ik kijk verbaasd naar mijn vingers die deze regels typen, meer dan de moeite waard. Zij scheiden het kaf van het koren en geven een beeld van wat er in het gebied dat nu Limburg was in de hun toebemeten periode is geschreven. Het probleem met dit boek begint eigenlijk pas op bladzijde 455, wanneer Ben van Melick het woord neemt en ons uitlegt hoe de Limburgse letteren sinds 1945 hebben gereild en gezeild. Voor die ongeveer 70 jaar bestrijkende periode neemt hij 234 bladzijden de tijd. Voor de meer dan 950 jaar daarvoor zijn die 455 bladzijden beschikbaar. Een merkwaardige verhouding.

Natuurlijk snap ik wel dat het leuker is om het hedendaagse in kaart te brengen, maar de enorme versnippering waartoe Van Melick de kans krijgt, laat de toon van het boek omslaan. Van een (min of meer geschiedkundig ingestoken) beschrijving, wordt het geheel plotseling een opsomming van namen, zonder hiërarchie of interpretatie naast elkaar gezet en zonder leidende gedachte gepresenteerd. Uiteraard is Van Melick zich hiervan bewust, hij probeert het zelfs te ondervangen door zichzelf de rol van objectieve buitenstaander aan te meten – ‘Dit vierde deel van de Geschiedenis van de literatuur in Limburg is geschreven door een participerend observator’ -, maar toch vind ik het allemaal een geval van jammer.

In het blad Zuiderlucht tekent Cyrille Offermans, het mopperorgel dat af en toe uit de kast wordt gehaald, als de cultuur verdedigd lijkt te moeten worden, het volgende op:

Ik zou zeggen: de kwestie is heel eenvoudig. Limburgse literatuur is literatuur in het dialect, de rest is Nederlandse literatuur. Waar iemand is geboren of waar hij over schrijft is irrelevant, het enige wat telt – afgezien natuurlijk van het niveau – is de taal waarin hij schrijft. Kafka, geboren in Praag, behoort niet tot de Tsjechische maar de Duitse literatuur, Camus (Algerijn) tot de Franse, Rushdie (Bombay, India) tot de Britse, Tip Marugg (Antillen) tot de Nederlandse.

Juist het problematische van de literaire identiteit, door Offermans te zeer vanzelfsprekend geacht, die gold en geldt voor het werk van Kafka, Camus, Rushdie en Marugg zou ik graag eens onder Van Melicks loep hebben zien liggen. Wat ik nu kreeg is een hele moppentrommel vol namen, die toch nooit compleet kan zijn. Zo ontbreekt Ralf Mohren, die voor het verschijnen van deze geschiedenis al twee boeken had gepubliceerd en viel Octavie Wolters, net gedebuteerd, buiten de boot. Lijsten met namen, dat is meer iets voor internet. Bijvoorbeeld voor het, ook al jaren een schrijnend en kwijnend bestaan leidende, Limburg-portaal van DBNL. Een koppeling tussen deze website en het boek had het geheel flink kunnen opfleuren. Maar ja, misschien schrok Van Melick wel terug voor die identiteitskwestie; want identiteit is een van de weinige dingen waarmee je mensen op de kast kunt krijgen, iets wat de gebeurtenissen in Rotterdam gisteren maar weer eens bewezen.

Tot slot een persoonlijke noot. Het hoofdstuk ‘1500-1793, Duistere eeuwen?’ is geschreven door Herman van Horen en Hannie van Horen-Verhoosel. Zij gaven in vroeger tijden allebei les aan de Philips van Horne Scholengemeenschap, waar ik tussen 1977 en 1983 mijn eigen duistere jaren heb doorgebracht. Van Herman heb ik geloof ik drie jaar Nederlands gehad, en na lezing van dit hoofdstuk weet ik weer waarom me er toch het een en ander van is bijgebleven. Hij kon (en kan) het soms mooi zeggen. De vormgeving van het boek was in handen van Piet Gerards, een man die voortreffelijk kan mopperen, maar nog voortreffelijker vormgeeft.

Geschiedenis van de literatuur in Limburg, onder redactie van Lou Spronck, Ben van Melick en Wiel Kusters, Vantilt, Nijmegen, 2016

 

Advertenties

Een gedachte over “Geschiedenis van de literatuur in Limburg

  1. Pingback: Geschiedenis van de literatuur in Limburg | ensafh

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s