Octavie Wolters en Rob Kamphues

Vorige week las ik twee romans: Voorland van Octavie Wolters en Hoor je me van Rob Kamphues, een van de vele Bekende Nederlanders die door het schrijfvirus zijn aangetast. De uitgever van Kamphues noemt zijn roman ‘een psychologische roman, geschreven met een vaart en spanning die de lezer tot de laatste bladzijde niet meer loslaat.’ Dit is rijkelijk overdreven. De psychologie die de auteur bedrijft is van de koude grond, en de spanning is net zo groot als in Midsomer Murders. Er gebeurt, kortom, bijna niks in Hoor je me, al wordt er wel heel wat in het boek overhoop gehaald, omdat de auteur zich gedraagt als een jonge, overenthousiaste hond.

De uitgever van Wolters stuurt Voorland onder meer met deze woorden de wereld in: ‘In zintuigelijk (sic, CB), verstild proza legt Wolters op nietsverhullende wijze de levens van haar personages bloot.’ Ook dat valt, helaas, nogal mee. Wat Wolters heel goed kan, is een ketting van beschrijvingen op de lezer loslaten – alleen blijft alles hangen in het impressionistische, zonder zo spannend te worden dat je op de golfslag van haar zinnen ongemerkt tot pagina 300 komt. In een recensie zou ik nu vertellen wat de inhoud van de twee boeken zo ongeveer behelst, om met een afgewogen (of willekeurig) oordeel te eindigen. Maar ik wilde iets anders kwijt, iets wat me tijdens het lezen van de twee boeken plotseling begon op te vallen.

Marcel Proust kan een bladzijde of wat doorgaan over gemoedsbewegingen, of over het licht dat wel, of niet, op een schilderij valt. Wolters kan dat ook, maar is nog geen Proust. En dat is flauw van mij, want in vergelijking met Proust is iedereen een krabbelaar. Maar ik dacht aan hem omdat Wolters nadrukkelijk een gooi doet naar het fijnzinnige, naar de stijl die vol lussen en krullen zit, naar het behagen van de lezer. Ze wil de beschrijvingen het werk laten doen, daar waar Kamphues, een veel mindere stilist, vooral van gebeurtenis naar gebeurtenis hopt. Hij schrijft geen literatuur, en doet dat net zo nadrukkelijk als Wolters juist wel literatuur schrijft.

Literatuur laat zich helaas niet schrijven. Een tekst krijgt, als je er aan schrijft, een eigen wil. Het is niet veel lulliger te zeggen en toch klopt het. Als schrijver kun je twee dingen doen. De tering naar de nering van je talent zetten. Dat is wat Kamphues deed. Hij kent de beperkingen van zijn talent en maakt een boek dat, hoewel geen literatuur, niet slecht is. Wolters liet zich verdoven door haar eigen vermogen om zinnen te maken, dat ze combineert met een aandrang om alles, echt alles, te beschrijven. Helaas levert ook dat geen literatuur op, of in elk geval geen grote literatuur (of misschien wel: op dit moment nog geen literatuur).

Soms grijpt Wolters iets bij de staart, maar dan komt er een nieuw hoofdstuk en laat ze het weer los. Je zou haar een beetje Kamphues gunnen, stilistisch gezien. Iets wat de monotone dreun waarin Voorland verzandt, doorbreekt. Toch is Wolters een talent en lijkt Kamphues de top van zijn talent al te hebben bereikt. Dat is de paradox van de literatuur: een niet helemaal gelukt boek kan interessanter zijn dan een gelukte potboiler. Literatuur woont niet alleen in meesterwerken, of in min of meer gelukte boeken, maar soms ook in boeken die de plank net even missen.

Het lijkt me de hel om recensent te zijn en iets te moeten schrijven over Hoor je me. Nog ingewikkelder is het om iets over Voorland te zeggen. Het is een debuut, dus het woord ‘veelbelovend’ kan eventueel van stal worden gehaald. Dat is eigenlijk een belediging. Tijdens het schrijven van dit stuk dacht ik aan wat Jeroen Brouwers schreef over zijn ontmoeting met Herman Teirlinck. Ik citeer uit een interview dat Margot Vanderstraeten hem afnam:

Ik herinner me onze ontmoeting nog als gisteren. Joris Ockeloen en het wachten, mijn romandebuut (1967), was al verschenen, en ook al volledig afgekraakt. De negatieve kritiek had mijn zelfvertrouwen lam gelegd. Het lukte me niet meer om woorden op papier te krijgen. Tot Teirlinck op een dag mijn kantoor bij Uitgeverij Manteau binnen stapte (Van 1964-1976 werkte Brouwers als redactie-secretaris en later als (hoofd)redacteur van Uitgeverij Manteau in Brussel, mvds); ik was juist de drukproeven van zijn Verzameld Werk, deel 5 aan het nalezen. Teirlinck schudde me de hand. Daar was ik al danig van onder de indruk. En hij had mijn boekje bij zich. Daar moet ik nog steeds van bekomen. Op de koop toe bleek hij Joris Ockeloen en het wachten gelezen te hebben. God sprak: ‘daar zit iets in dat goed is, maar gij moet nog veel oefenen.’

Soms is literatuur vooral een kwestie van doorzetten. Voor de lezer en, vooral, voor de schrijver.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s