De semiotiek van het wielrennen

Op de Croeselaan in Utrecht staat, zo ongeveer op de plek waar in 2015 de Tour de France van start ging, het gestileerde beeld van een racefiets. Dit beeld. De afgelopen maanden kon ik het zien zonder iets te denken, maar nu 25 februari nadert, de dag waarop de Omloop het Nieuwsblad wordt verreden en het wielerseizoen 2017 officieel van start gaat, springt mijn hart elke ochtend even op. Ha, leuk, zo meteen weer echt wielrennen op tv. 

Het wielerseizoen loopt van februari tot oktober, maar er zijn natuurlijk maanden waarin de hoogfeesten worden gevierd: maart en april (de belangrijkste klassiekers), juli (de Tour de France) en augustus/september (najaarsklassiekers en het WK). De andere grote rondes en belangrijke wedstrijden horen er natuurlijk wel bij, maar ze blijven voor mij altijd in de schaduw staan van de ‘traditionele’ grote wedstrijden.

De Giro en de Vuelta zijn, ook al worden ze tegenwoordig net als de Tour live uitgezonden, minder belangrijk. Net als al die semi-klassiekers en kleinere etappekoersen waar de VRT haar uitzendtijd ad nauseam mee vult. Ik ben een conservatieve kijker die het menu dat hem vroeger werd voorgezet nog steeds als het enig ware beschouwt. Alles wat erbij is gekomen, beschouw ik als nouvelle cuisine. En dat kan soms best lekker zijn, maar niet elke dag.

Waarom wielrennen? Waarom kijk ik graag naar wielrennen en zeggen andere sporten me minder? Ik denk: omdat wielrennen een katholieke sport is. Letterlijk, want de traditionele wielerlanden België, Frankrijk en Italië zijn katholiek. Figuurlijk, want de sport draait om het lijden, een lijden dat maar zelden door een overwinning wordt bekroond. Wielrenners zijn net gewone mensen.

Een ander interessant aspect aan de wielersport is dat je altijd naar twee wedstrijden zit te kijken. De wedstrijd zoals die zich voor je oog ontrolt én de tactische strijd die daaronder, bijna in het geheim, wordt geleverd. Wie deze tweede wedstrijd niet ‘ziet’, mist het mooiste van de sport. Die is teruggeworpen op de anekdotiek. Wie de tekens wel herkent en begrijpt waarom sommige dingen tijdens een wedstrijd gebeuren, kan in elke wedstrijd een epos ontwaren.

Mijn eerste inwijding in de semiotiek van het wielrennen kreeg ik in 1975. Samen met mijn vader keek ik naar het WK, dat jaar gehouden in Yvoir (België). Ik, tien jaar pas, zag hoe Hennie Kuiper dat won met een kleine voorsprong, die hij dapper verdedigde tegen een achtervolgende groep met allemaal veel bekendere wielrenners erin. Mijn vader legde me uit dat die groep vooral bezig was met het niet laten winnen van Roger de Vlaeminck. Die had iets misdaan, waardoor de andere Belgen niet voor hem wilden werken – en dan had je nog de eeuwige rivaliteit tussen Eddy Merckx en de opkomende ster Freddy Maertens, waardoor de sfeer in de Belgische ploeg al vooraf verziekt was.

Ik had niet gezien wat er wel degelijk was gebeurd. En wat mij achteraf werd verteld, verdiepte mijn begrip van het geziene. Mijn literaire blik was voor het eerst geactiveerd. Ik kon plotseling, met terugwerkende kracht, nadenken over het verhaal dat ik had gezien.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s