Het gedicht ‘Dons’ van Ruth Lasters

ruthlasters2-1

Er staat hierboven een plaatje van het gedicht van Ruth Lasters, omdat ik de inspringing voor regel 8 niet kreeg opgemaakt in dit CMS. Na een half uur, ik was van plan om mijn laptop uit het raam te gooien en er zelf achteraan te springen, kreeg ik een heldere ingeving: Maak er een wordbestand van en zet dat om naar een jpg-bestand. Lekker omslachtig, net als vroeger.

Waar gáát dit gedicht over? Of nee: Wat is dit voor een gedicht? Dat waren mijn gedachten bij een eerste lezing, nu een jaar of meer geleden. Je wordt van hot naar haar geduwd, zinnen worden onderbroken en weer opgepakt, redeneringen blijven niet of half-afgemaakt, terwijl de dichter naar een conclusie toewerkt die ‘van niets de eindconclusie’ is. Ruth Lasters maakt het je, zou je ook kunnen zeggen, niet gemakkelijk.

Toch zwerft haar bundel Lichtmeters al sinds het verschijnen ervan door mijn kamer. Af en toe lees ik erin, altijd bewonderend, nooit helemaal grip krijgend op het geheel, dat mij ontglipt, waar ik geen vat op krijg, steeds struikelend over de manier waarop de dichter de taal in stukken breekt en weer tot één, geheel nieuw geheel probeert te lijmen. Kortom, het is wat critici een intrigerende bundel noemen, en dat klopt. Het is ook een ‘mooie’ bundel, al lijkt het werk van Lasters zich nog zo (bewust?) tegen die kwalificatie te verzetten. Flapteksten zijn over het algemeen onzinnig en bieden geen handvat voor een verdere lezing, maar die van Lichtmeters is zo gek nog niet, in alle inconsequentie:

Wie Lichtmeters openslaat, belandt in een zacht verlichte loketzaal zonder wachtrijen. Ieder gedicht is een schuiflade waarin mensen uit alle tijden en situaties zichzelf proberen achter te laten voor elkaar. Het heden is er slechts een flinterdunne loketruit waar de dichter olijk tegen tikt, tot ze breekt en iedereen onverhuld oog in oog staat met elkaar.

De metafoor uit de tweede zin ‘botst’ met die in de derde zin, behalve als je die ‘schuiflade’ leest als zo’n schuiflade die je vroeger bij banken had en bij de NS, lades waarmee je je cheques of je geld richting de beambte kon schuiven, in de hoop op geld of een vervoerbiljet. De dichter als bankbediende of medewerker van de spoorwegen? Of zit aan elke kant van het glas een mens van alle tijden? Zijn de scherven die het gebroken glas oplevert de gedichten die de confrontaties opleveren? Zonder het in de gaten te hebben, zit ik nu al in een gedicht van Ruth Lasters, ik open een waaier van betekenissen, interpretaties en aannames die elk moment van karakter kunnen veranderen. De flaptekst creëert precies de juiste verwarring.

Ik lees ‘Dons’ als een gedicht dat speelt met de spanning tussen aanwezigheid en afwezigheid. ‘Het grote uitblijven’ van de sneeuw, en van nabijheid, wordt ‘de ultieme sneeuw’, – althans, dat zou het kunnen worden, ‘welbeschouwd’. De dichter zegt er alleen niet bij of het dat ook wordt, want zoals ze nergens iets vastlegt, doet ze dat in dit gedicht ook niet. Het dwarrelt voort, als sneeuw, als aan- of aanwezigheid, als gefantaseerde flarden van een (niet-gevoerd) gesprek, waarbinnen de ‘je’ en de ‘ander’ zijn vrijgesteld van het alledaagse, wat toch weer mooi is gezegd, troostend bijna, bij zo veel (veronderstelde) afwezigheid, waarin de aanwezigheid doorklinkt.

Maar ‘Dons’ is tegelijkertijd een gedicht dat gaat over andere vormen van aanwezigheid, over een aanwezigheid die zich niet alleen kenmerkt door afwezigheid, maar ook door een aanwezigheid, al dan niet verondersteld, van vlokken, van die dwarreltaal, van dat neuronendons dat ons in staat stelt om juist in een sneeuwloos jaar te ‘spreken tegen hem of haar.’ Zelf leg ik, op dit moment, tijdens deze lezing, de nadruk op de twee slotstrofes:

wordt het grote uitblijven ooit binnen ons en buiten
van koude vlokkenval die alles wit, wist, uitstelt

niet welbeschouwd net zelf
de ultieme sneeuw.

Daarmee isoleer ik deze regels. Ik snij ze van de rest af, en dat kan niet, althans, het werk van Lasters verzet zich daartegen. Ik leg tijdelijk vast wat zich niet vast laat leggen. Ik bega de zonde van de interpretatie tegenover een poëzie die het van een ‘aarzellichte tusschenstand’ (zie dit gedicht van Simon Vestdijk) moet hebben. En daarom langer dan een jaar in een kamer en in een hoofd kan rondslingeren.

Advertenties

4 gedachtes over “Het gedicht ‘Dons’ van Ruth Lasters

  1. Dank je wel, Chrétien. Een prachtig gedicht. Het rare is dat ik jouw ervaringen met dit gedicht niet heel goed kan volgen, maar door jouw woorden het gedicht wel beter kan plaatsen. Is poëzie dan een gezelschapsspel? Mensen die met elkaar praten begrijpen elkaar na uren nog steeds niet, maar zichzelf langzaamaan wel.

  2. Nou ik weet het niet zeker, maar ‘Is poëzie dan een gezelschapsspel? Mensen die met elkaar praten begrijpen elkaar na uren nog steeds niet, maar zichzelf langzaamaan wel.’ – dat raakt denk ik wel aan de kern van wat poëzie kan zijn.

  3. Een inspringing is op verschillende manieren te maken. Overigens niet alleen in WordPress.

    Simpelst maar primitiefst is het om HTML-code te gebruiken, in dit geval niet meer dan de code voor de vaste spatie; de non breaking space:  

    In een WYSIWYG tekst-schermpje als dit werkt dat niet, maar WordPress heeft in zijn backoffice naast de mogelijkheid om [visueel] tekst in te voeren ook de mogelijkheid om tekst te schrijven in een [tekst] omgeving, en dan wordt die   ineens wel geïnterpreteerd als opmaakcode. Moest er in dit geval misschien wel 15 keer zo’n   worden geplakt. Maar dit maakt niet uit. Aan de voorkant lijkt alles dan wel fraai.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s