Hoe komt wie vliegt ooit tot bedaren – over Jan Emmens

Vogel

De bomen kregen een betekenis
die zij nog zacht gebarend wilden weren,
maar ’t noodlot was niet meer te keren:
een vogel streek klapwiekend in de wildernis
van takken neer en nu hij roerloos zit
(het licht wordt zo benauwend wit),
denk ik aan dood, verrotte geur van blaren,
hetzelfde zijn op steeds dezelfde plaats…
Hoe komt wie vliegt ooit tot bedaren,
en wie niet vliegt ooit van zijn plaats?

emmens-collectie-letterkundig-museum-419x540-232x300Kees Verheul schrijft in de essaybundel Verlaat debuut over Emmens: ‘In zijn meeste gedichten gaat de ‘‘techniek’’ zozeer op in de ‘‘inhoud’’ dat het resultaat vrij lijkt van iedere opzettelijkheid. We verbazen ons minder over de middelen van de dichter dan over het feit dat hier iets gezegd wordt dat de indruk maakt precies in de juiste bewoordingen te zijn geformuleerd.’ Het was pas na het lezen van deze passage dat ik plotseling ontdekte dat het gedicht eindrijm heeft, en dat zelfs de herhaling van het eindwoord ‘plaats’ in de regels 8 en 10 niet klunzig is, maar functioneel (en knap gevonden).

Toen ik het gedicht lang geleden voor het eerst las, werd ik getroffen door het beeld dat Emmens oproept in de eerste vijf regels. Ik zag als het ware meteen voor me hoe een vogel neerdaalt op een tak, en hoe de takken en de bladeren van een boom daardoor in beweging komen. Die boom lijkt de (onvermijdelijke) komst van de vogel af te weren. Waarom de dichter de komst van de vogel verbindt aan een onafwendbaar geworden noodlot is me niet duidelijk. Maar hij is, of brengt, het noodlot, in een beweging die van boven naar beneden voert.

Na de komst van de vogel is de helft van het gedicht voorbij. De overgangsregel, nummer 6, beschrijft hoe het licht door het bladerdek kan schijnen, nu de bladeren in beweging zijn gebracht. Het licht is ‘benauwend wit’, de dichter ziet de helderheid die de vogel ook brengt als iets negatiefs. Het benauwt hem. De beschutting die het bladerdek bood, en de schemering, is verdwenen. De dichter, die zich onder de boom bevindt (althans, zo lees ik het), is plotseling onderhevig aan het licht, aan iets wat van boven komt en hem overweldigt.

Terwijl dat allemaal gebeurt, denkt de dichter niet aan vrolijke dingen. Integendeel, hij denkt ‘aan dood, verrotte geur van blaren, / hetzelfde zijn op steeds dezelfde plaats…’ De beweging boven hem schept gedachten aan dood, rottenis en stilstand, aan dingen die zich beneden, op en onder de grond afspelen. Aan het graf, waarin een even grote roerloosheid heerst, waarin je inderdaad steeds dezelfde blijft, op steeds dezelfde plaats (tot het graf wordt geruimd).

In acht regels bouwde Emmens een wereld op vol tegenstellingen, die tussen de vogel die neerdaalt en de dichter die onder een boom aan de dood en aan het daarop volgende verderf staat te denken. Onoplosbare tegenstellingen, die hij alleen maar vaststelt. Ze zijn er, en niets wijst erop dat ze worden opgeheven. Wat kan daar nog op volgen?

Nou, het antwoord op deze vraag wordt gegeven in de regels 9 en 10. De dichter slaat terug met een vraag, een vraag die (net als het gedicht) in twee bijna even grote delen uit elkaar valt. ‘Hoe komt wie vliegt ooit tot bedaren, / en wie niet vliegt ooit van zijn plaats?’ Het is onmogelijk om die vraag te beantwoorden, zeker niet in zo weinig woorden als Emmens nodig heeft. Het is dan ook niet zijn bedoeling dat wij, of de lezers, met een antwoord komen. De vraag heel langzaam tot je laten doordringen is al ingewikkeld genoeg.

Ik citeer nog een keer uit Verheuls essay: ‘Wat hij zoekt, en in de meeste gevallen ook vindt, is de volkomen afgeronde formule – elegant en natuurlijk, zonder overbodige details.’ Het essay heet niet voor niets ‘Formules tegen de overmacht’. Die overmacht, daarvan was Emmens – toch al niet echt een gemakkelijk levend mens – zich waarschijnlijk volledig bewust. Hij kwam niet van zijn plaats, om hem met zijn eigen woorden om de oren te slaan, en pleegde op 12 december 1971 zelfmoord.

Bij Van Oorschot verscheen in 2012 een keuze uit Jan Emmens’ dichtwerk, ingeleid door Wim Brands: Overkomst dringend gewenst. Het essay ‘Formules tegen de overmacht (over Jan Emmens) is te vinden in: Kees Verheul, Verlaat debuut en andere opstellen, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 1976

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s