De eerste alinea: Harry Mulisch, De pupil

mulischElk leven kent zijn geheimen. Die moeten geheimgehouden worden. Maar naar mate men ouder wordt en minder te verliezen heeft, wordt het onduidelijker waarom men de geheimen eigenlijk nog geheim houdt, zodat men ze even goed kan vertellen. (Harry Mulisch, De pupil, De Bezige Bij, Amsterdam, 1987; ik citeer uit de in maart 1987 verschenen vierde druk, 45ste tot en met 64ste duizendtal.)

Wie niet ziet dat het oeuvre van Harry Mulisch doordrenkt is van ironie is (lees)blind. Alleen al dat over-corecte weergeven van de oplagecijfers! Zijn ironie is misschien niet zo Hollands als die van Gerard Reve, of zo bijtend als die van W.F. Hermans, maar zij is er wel degelijk, en zeker in zijn ‘late’ werk speelt zij een grote rol. De pupil, waaruit ik hierboven de eerste alinea citeerde, is een goed voorbeeld.

Op de achterflap staat een mooie foto, van Harry Mulisch, met vakantie in Italië. Hij zit in zijn zwembroek op een muurtje en kijkt naar een berg, dacht ik. Maar het onderschrift meldt: ‘Van links naar rechts: de Vesuvius, Harry Mulisch (zomer 1985).’ Op het voorplat staat een uitsnede van de foto, zonder Mulisch en het muurtje erop.

De tekst boven de achterplatfoto begint met deze zin: ‘In zijn zestigste levensjaar haalt de schrijver een jeugdherinnering op – maar die is anders van aard dan men gewend is in onze literatuur.’ En dan dus die eerste alinea. Harry Mulisch, op dat moment de enige nog volop actieve vulkaan in de Nederlandse literatuur (volgens hemzelf), gaat er eens lekker voor zitten. Er is een geheim en dat zal de lezer in de 133 niet heel dicht bedrukte pagina’s die de kleine roman telt worden onthuld.

Het mooie is dat Mulisch bij leven werd vereerd én gehaat. Zelf trok hij zich van zowel de bewondering als de afkeer niets aan. Mulisch was Mulisch. Iemand die naast de Vesuvius gaat zitten en daarin geen bedreiging ziet, bij een eventuele uitbraak, maar een evenbeeld. Mulisch was bij uitstek een on-Nederlandse, Europese schrijver. Familie van Johann Wolfgang von Goethe en Thomas Mann. Ik huiver zelf even bij het schrijven van die grote woorden.

De Nederlandstalige literatuur van dit moment is – de klacht is van alle tijden – een beetje grijs en grauw. Met veel keurig aangeharkte boeken vol met keurig aangeharkte gebeurtenissen. Het wordt tijd dat iemand eens besluit om een geheim, iets dat hem of haar al vanaf de vroege jeugdjaren bezig houdt, te onthullen. Iemand die tegelijkertijd aansluiting zoekt bij de traditie, of zich meet aan de Vesuvius.

Met de excuses voor de wat plechtige alinea hierboven.

Advertenties

2 gedachtes over “De eerste alinea: Harry Mulisch, De pupil

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s