Dit lied met rijmend toebehoren is de triestheid aangeboren – over Boudewijn Büch

boudVoor Staalkaart (een blad dat helaas ophoudt te bestaan, wegens dicht-draaiing van de subsidiekraan, schreef ik een artikel over Boud, het verzamelde leven van Boudewijn Büch, een biografie door Eva Rovers.

Boudewijn Büch (1948-2002) was charmant, iets anders kun je na het lezen van deze biografie niet concluderen. Ook biografe Eva Rovers heeft zich laten inpakken door de boekenwurm, reis- en rijstleider, wat resulteerde in een levensverhaal dat meer wegheeft van een hagiografie dan van een doorwrochte biografie.

Toen Boudewijn Büch in de jaren tachtig een koophuis aan de Keizersgracht in Amsterdam kon betrekken, na een jaren aanslepend faillissement, wilde hij een mooie bibliotheek in het pand laten aanbrengen. Zijn grote wens, leven in een bibliotheek, zou eindelijk uitkomen.

Maar honderden meters mahoniehout was hem te duur. Het geld dat dat moest kosten, gaf hij liever uit aan boeken. Hij koos voor een andere oplossing: ‘Daarom stelde (klusjesman) Pieter voor om de kasten te maken van gebeitst multiplex met een hardhouten latje aan de voorkant van iedere plank, waardoor het leek of ze van een dure houtsoort gemaakt waren.’

Rovers vervolgt: ‘“Eigenlijk is die bibliotheek gebouwd als een decor,” bedacht hij later, “het zag er allemaal veel luxer uit dan het was.” Zo kocht hij bijvoorbeeld goedkope tegels en legde die in zo’n patroon dat het resultaat leek op een zeventiende-eeuwse vloer.’

Deze citaten, op bladzijden 342 van Rovers boek te vinden, lijken me de sleutel tot het leven van Büch. Van buiten leek het aardig wat, maar als je goed keek, zag je dat het geheel toch uit het goedkoopste materiaal was opgetrokken. Zijn werk stelt weinig voor, afgezet tegen de mythe die hij van zijn levensloop had gemaakt; het stelt zelfs zo weinig voor dat Rovers er bijna geen woord aan besteedt in de 576 bladzijden van haar boek.

Bekend verhaal

Wie de publicaties die na de vroege dood van Büch verschenen heeft gelezen, vindt weinig nieuws in Rovers boek. Rudie Kagie, Frans Mouws en Harry GM Prick hadden de de-mythologisering al voltrokken. Rovers probeert die niet zozeer ongedaan te maken, ze geeft er – uit liefde voor haar onderwerp – een nieuwe draai aan.

Volgens Rovers wilde Büch zijn leven tot een kunstwerk maken. Dat is een nobel streven. Velen gingen Büch daarin voor, bijvoorbeeld zijn grote voorbeeld Johann Wolfgang von Goethe. Misschien was Goethe een iets grotere schrijver dan Büch, maar de inzet van beide auteurs was even groot.

Büchs levenskunstwerk bestaat uit de inmiddels bekende ingrediënten: het dode kind, dat nog steeds springlevend is (en zijn kind niet was), de moeilijke jeugd onder het regime van een door de oorlog getraumatiseerde vader (die niet getraumatiseerd was door de oorlog), zijn studies (die hij niet eens begon), zijn encyclopedische kennis (die vele gaten vertoonde), zijn leven als charmante televisiepersoonlijkheid en zo voort.

De schrijver Büch komt er, zoals hierboven al gezegd, bekaaid af bij Rovers. Hoewel Büch een groot schrijver wilde zijn, is hij dat niet geworden. Die teleurstelling stipt Rovers wel aan, maar ze spreidt er ook een deken van liefde overheen. Omdat Büch zijn leven op het oog zo mooi vormgaf, is hij dús toch een groot kunstenaar geweest. Daarmee is hij de eerste Nederlandstalige schrijver die een biografie krijgt op basis van zijn vormgegeven leven.

Boekpresentatie

Tijdens de presentatie van het boek op 13 november jongstleden ging het eveneens voornamelijk over de tv-persoonlijkheid Büch. Alleen uitgever Mai Spijkers noemde een boektitel (Eilanden). De rest van de sprekers richtte zich weliswaar op Büchs boekenliefde (Lisa Kuitert) en zijn bijna oneindige feitenkennis (Abdelkader Benali en Diederik van Vleuten), maar helaas was een kwartier voor de evaluatie van zijn romans, gedichten en beschouwingen, hoe die ook zou zijn uitgevallen, niet voorradig.

Het was allemaal leuk, en daar is niets tegen. Al was het allemaal wel heel érg leuk, zonder relativering of reflectie. Diederik van Vleuten en Erik van Muiswinkel stalen de show, maar vooral omdat ze dat vak goed verstaan. Ze hebben een achtergrond als theatermaker en televisiepersoonlijkheid, net als Büch.

Zelfs de vraag hoe het spel van feit en fictie dat Büch speelde precies inwerkte op zijn persoonlijke leven, en welke gevolgen dat spel had, bleef onaangeroerd. Rovers wuifde het onderwerp weg met de mededeling dat een schrijver zijn eigen verhaal mag hebben. Dat klopt, hoewel Büch eindigde als een heremiet tussen zijn meer dan 100.000 boeken, in een diepe eenzaamheid die niet alleen door de mooie vormgeving van een leven kan ontstaan.

Natuurlijk mag een schrijver, zoals Rovers stelde, alles wat hij in zijn leven aantreft gebruiken voor zijn ‘autobiografictie’, maar hij moet dan niet gek staan te kijken als sommige mensen hem op zijn vriendelijkst gezegd een paardenlul vinden. Of niet helemaal mee willen gaan in het spel dat hij in het echte leven ook probeert op te voeren, op straffe van ontvriending – want dat is wat Büch deed met mensen die hem niet ‘geloofden’, hij deed ze weg.

Lege huls

Dat Boudewijn Büch toch jaren in het centrum van de literaire aandacht heeft weten te staan, is een raadsel. Een raadsel dat tegenwoordig beter te begrijpen is dan in 1976, toen hij zijn debuut maakte als dichter met de bundel Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs.

Onder de hoede van Harry G.M. Prick, met wie Büch toen nog dik bevriend was, en wiens smeulende verliefdheid Büch vaardig op de juiste temperatuur wist te houden, kwam hij in een literair klimaat waarin het romantisch-decadente een goede voedingsbodem vond.

Gerrit Komrij, naar wie Büch goed heeft gekeken, had met zijn venijnige kritieken op de literatuur, de ‘treurbuis’, de kunst en de architectuur een paar heilige huizen omgegooid. Gedichten mochten weer rijmen. Ironie voerde de boventoon.

Boudewijn Büch voegde bij deze ingrediënten een paar hoogstpersoonlijke eigenaardigheden. Zo speelde hij dat hij pedofiel was, iets wat toen nog goed lag in sommige kringen, koketteerde hij met drugsgebruik en liet hij zich voorstaan op een encyclopedische kennis, heel romantisch, negentiende-eeuws, die hij niet had. Hij paste precies in de tijd, ook al poseerde hij als tegendraads.

Zijn voorkeuren waren niet zozeer anders, ze waren juist heel behoudend. In 1976 waren de Sex Pistols bijna beroemd, de Rolling Stones veranderden al een beetje in een bejaardenband. Drugsgebruik, daar kon Jotie T’Hooft straffere verhalen over vertellen. Gerrit Komrij was homoseksueel (en wist alles van Goethe) en Astère Michel Dhondt had boeken geschreven over zijn leven als pedofiel. Net als Jan Hanlo. Büch vatte samen wat er her en der leefde.

Het is juist die tijdgebondenheid die hem zoveel jaren tot een publiekslieveling heeft gemaakt. Dat hij kon enthousiasmeren en motiveren (bijvoorbeeld tot lezen) is mooi, maar dat hij daarvoor zijn eigen werk liet verslonzen maakt hem wel tot een lege huls, zij het dat dat in zijn tijd nog een betrekkelijke nieuwigheid was.

Misschien is hij alleen daarin zijn tijd vooruit geweest, dat hij televisie als een instrument tot roem gebruikte. Hoewel, zelfs Godfried Bomans is hem daarin voorgegaan. Dus helemaal nieuw was ook dat niet. En Adriaan van Dis is een generatiegenoot van Büch, maar schreef toch een paar boeken die ermee door kunnen.

Hagiografie

Dat Eva Rovers in haar hagiografie weinig aandacht besteedt aan Büchs literaire werk, is een kunstgreep die goed werkt. Het boek leest als een trein, het hele verhaal van het boefje Büch is smeuïg opgediend. De biografe houdt de vaart er vaardig in.

En toch ontbreekt er dus iets. Waar de tweedelige biografie van Willem Otterspeer over W.F. Hermans ten onder ging aan een teveel aan dwingende ideeën van de biograaf over zijn onderwerp, lijkt Rovers helemaal geen idee over haar onderwerp of het werk van haar onderwerp te hebben gehad. Er is alleen maar sympathie.

De lezer die iets wil weten over de schrijver Büch, tegen de achtergrond van zijn persoonlijke leven, komt bedrogen uit. Het boek is een (fraai) laagje fineer op een materiaal van onbekende herkomst. Want ondanks zijn eeuwige charme, laat Büch zich nergens kennen. Zelfs niet aan Eva Rovers.

Allesoverstijgende vriendschap

En niet alleen Eva Rovers is in de ban van Boud, zoals hij blijkbaar werd genoemd. Ook veel van zijn voormalige vriendinnen en vrienden kunnen nu, veertien jaar na zijn plotselinge dood, nog weinig kwaads over hem horen. Dat is mooi en in zekere zin ontroerend. Ergens heeft die Büch dus toch iets goed gedaan.

Dat Peter van Zonneveld op 13 november het eerste exemplaar van de biografie in ontvangst nam, was dan ook vooral een daad van allesoverstijgende vriendschap. Van Van Zonneveld. Want na een vriendschap van meer dan twintig jaar besloot Büch dat Van Zonneveld maar eens te kijk moest worden gezet als een notoire hoerenloper en vreemdganger. Reden: Van Zonneveld slikte niet langer alles wat Büch hem probeerde wijs te maken voor zoete koek.

Büch schreef vervolgens een reeks vileine columns, waarin Van Zonneveld herkenbaar werd opgevoerd. Die stukjes werkte hij later om tot de roman Het bedrog. Niet Büch, maar Van Zonneveld had Büch bedrogen, dat was de strekking van de roman; een literaire truc van formaat en een verfraaiing van Büchs leven.

Ondanks de manier waarop Büch hem in die roman door het slijk heeft getrokken, kon hij de grootheid opbrengen om het een eer te vinden om van Rovers het eerste exemplaar te krijgen. Wat het in zekere zin is. De vraag is alleen: voor wie?

Advertenties

Een gedachte over “Dit lied met rijmend toebehoren is de triestheid aangeboren – over Boudewijn Büch

  1. Pingback: ‘Boud’ – de biografie van Boudewijn Büch

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s