De ruimte buiten breidt zich plotseling uit

retourromeMichel Butor beschrijft in Retour Rome wat er gebeurt als een trein zich in beweging zet en op gang komt:

De ruimte buiten breidt zich plotseling uit; een kleine locomotief komt over de door treinsporen gestreepte grond naderbij en verdwijnt weer; je hebt hem maar enkele ogenblikken met je ogen kunnen volgens evenals de smerige achterkanten van die grote huizenblokken die je zo kent, die gekruiste ijzeren balken, de grote brug waarover juist een melkauto rijdt, de seinpalen, de bovenleidingen, hun palen en afsplitsingen, de straat die je opmerkt tussen reeksen andere straten, waar een fietser juist de hoek om zwenkt, de staat die de spoorbaan volgt en er slechts door een gammele schutting en een smalle strook sprieterig en verdord gras van gescheiden is, het café waarvan het ijzeren rolluik wordt opgetrokken, de kapperszaak die als kenteken nog steeds een vergulde bol met een paardestaart heeft, de kruidenierswinkel met het karmijnrode opschrift, het eerste station van de voorstad met de mensen die op een andere trein wachten, de grote ijzeren gashouders, de werkplaatsen met blauw geverfde ruiten, de lange schoorsteen vol scheuren, de opslagplaats van oude banden, de kleine volkstuintjes met hun wijnstokken en hun huisjes, de kleine stenen villaatjes binnen hun omheiningen en met hun televisie-antennes.

Toen ik een paar jaar geleden plotseling zonder huis kwam te zitten, twee weken maar gelukkig, reisde ik plotseling heel vaak, of in elk geval veel vaker dan voorheen, met de trein. Butors zin ‘De ruimte buiten breidt zich plotseling uit’ vatte de sensatie die zich tijdens die reizen van me meester maakte goed samen. Ik had het idee dat ik me ineens weer door de ruimte bewóóg, dat ik afstand aflegde, dat ik dingen zag die ik daarvoor heel lang niet had gezien. Alles was beweging en licht.

Natuurlijk hield die beweging op en kwam ik tot stilstand. Om me daarna soms opnieuw te verliezen in beweging, richting steden die eerst lieflijk leken, dan bekend en ten slotte toch hermetisch (als altijd gedacht). En ik herinner me rivieren, de IJssel, de Waal, die vooral in het oosten van het land heel sloom en toch onontkoombaar door het landschap schuivende watermassa’s. De Brink in Deventer. Het stationsplein van Tilburg. De binnenstad van Leiden. Franeker op zondag. Oostende met al zijn pleinen. Het Wertheimpark in Amsterdam. Met de trein heen en met de trein terug. En toen bleef ik plotseling thuis.

Wat voor het tweede jaar op rij een lange zomer was, tot diep op het terrein van de herfst, is nu opnieuw in een combinatie van herfst en winter omgeslagen. De herfst verovert terrein terug, ten koste van de echte winter. Het is donker als ik opsta, het blijkt een uur later mistig te zijn, de dag is grijs en het regent, om een uur of vier is het weer donker. Het idee van een winterslaap is niet onaantrekkelijk, alleen moet ik nog dingen doen, wachten er deadlines en zou het toch zonde zijn om de treinen die op me wachten zonder mij erin te laten vertrekken.

Tussen 1989 en 1991 schreef Bohumil Hrabal brieven aan April Gifford,totalfears een Amerikaanse vrouw die hem in Praag opzocht en uitnodigde om lezingen te komen geven in de Verenigde Staten. Dat heeft hij ook gedaan, een half jaar voordat de Fluwelen Revolutie begon. In die brieven legt hij verantwoording af van zijn ‘houding’ tijdens het communistische regime, een houding die vooral gekenmerkt werd door angst. De Engelse bundeling van die brieven heet dan ook Total Fears. In het Nederlands zijn twee brieven vertaald door Kees Mercks. Ze werden opgenomen in de verzamelbundel Praagse ironie. De brief ‘Publieke zelfmoord’, gericht aan Dubenka (Duben is Tsjechisch voor april), begint zo:

Lieve Dubenka,

Sinds ik terug ben uit de Verenigde Staten, van die reis die u zo argeloos en braafjes voor me had bedacht en dus wellicht enkel en alleen voor mij had gepland zodat wij elkaar weer zouden terugzien, ben ik helemaal de kluts kwijt, wat mijn moeder is overkomen, zoals dat op haar overlijdensakte staat geschreven dat ze gestorven is aan hersenverweking, zo heb ik het waarlijke hoogtepunt van leegte bereikt en ben ik zó, maar ook zó alleen, ik ben eigenlijk in eenzame opsluiting en zit vastgebonden in een dwangbuis en ik leef niet meer in de tijd, maar enkel en alleen in de ruimte, een waar ik bang voor ben en die me de stuipen op het lijf jaagt…

Het is zelfs voor ons, de mensen die de Koude Oorlog hebben meegemaakt, onvoorstelbaar wat de uitbreiding van de ruimte, die na de Fluwelen Revolutie plaatsvond, voor schrijvers als Hrabal betekend moet hebben. Tegelijkertijd zal hij hebben beseft dat die ruimte pas tegen het einde van zijn leven, grotendeels doorgebracht in ‘total fears’ en in zijn boeken soms te lijf gegaan met een superieure humor en ironie, beschikbaar werd. Het was eerder november dan april. Maar in de brieven aan April/Dubenka kon hij alles nog één keer vertellen. In alle vrijheid.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s