Een vouwfiets is echt heel handig

De man die in de trein tegenover me kwam zitten rook niet vies, maar hij rook zeker ook niet lekker of neutraal. Hij verspreidde een geur die me irriteerde. Een aanwezige geur. Erg lang was hij ook, en hij ging onderuitgezakt tegenover me zitten, zijn benen voor zich uit, zodat ik mijn voeten moest verzetten en enig lichamelijk contact alleen met moeite kon voorkomen. De man die tegenover me kwam zitten zuchtte om de minuut diep. Overdreven diep.

In het gangpad, naast zijn stoel, stond de vouwfiets die hij mee naar binnen had gedragen. Mensen die door de gang wilden lopen, moesten hem eerst vragen om het ding opzij te zetten, wat hij elke keer met een mij het bloed naar de slapen jagende beleefdheid deed. Terwijl hij de fiets drie centimeter verschoof, kreeg ik steeds een kleine duw van zijn linker been. De man glimlachte heel vaak naar me. Ik probeerde die allemaal te beantwoorden, maar volgens mij leek mijn gezicht tijdens elke poging nog het meest op een Egyptisch dodenmasker.

Het boek waarin ik zat te lezen, Retour Rome van Michel Butor, kon mijn aandacht plotseling niet meer vasthouden. Ik las net hoe de auteur beschreef wie er allemaal in een coupé zaten, onderweg naar Rome, en welke kleine ergernissen dat met zich meebracht. De man tegenover me drong zich op aan de tekst die ik las, hij werd er een onderdeel van, en daarom was mijn leesplezier duurzaam vergald. Ik legde het op mijn schoot en zag hoe de man tegenover me een keer of twintig probeerde te zien wát ik las. Ik hield mijn hand op de naam van de auteur en op de titel. Wat kinderachtig. Wat fijn.

Onze buren keken af en toe ook naar de man die tegenover mij was komen zitten. De sfeer in ons compartiment voor vier individuen was gespannen, dat durf ik rustig te zeggen. De allesoverheersende neutraliteit waarin we ons hadden ondergedompeld was verdwenen, het was nu drie mensen tegen één mens, tegen een mens die nog niks had gedaan, laat staan misdaan; misdééd hij maar iets, dan hadden we tenminste een reden om hem aan stukken te scheuren en aan de wilde beesten te voeren. De man die tegenover me was komen zitten, of hangen is een beter woord, hield zich tergend op de vlakte. Wel gaf hij zijn ogen goed de kost, om niet te zeggen dat hij voortdurend om zich heen zat te spienzen.

We naderden het station waar ik uit moest stappen. De man die tegenover me was komen zitten ging nadat we Maarssen waren gepasseerd rechtop zitten. Tijdens die handeling schopte hij me, waarvoor hij zich uitgebreid verontschuldigde. Ik zei dat het goed was. Dat het, echt, niet gaf. Dat hij gewoon door moest gaan met wat hij deed. Dat hij dood moest vallen en dat ik dan lachend op zijn lijk zou dansen. Oh nee, dat zei ik niet. Voordat hij vertrok, met die ellendige vouwfiets, keek hij me nog één keer aan.

Hij klopte met zijn rechterhand op de vouwfiets en zei: ‘Dit is echt een heel handig ding.’ Ik zei: ‘Dat lijkt me ook.’ Mijn stem klonk alsof er het geluid van een getergde hond doorheen was gemengd. Hij stond eindelijk echt op en verdween. De mensen die naast ons hadden gezeten keken allebei naar buiten. Naar de eerste gebouwen van Utrecht die we voorbijreden.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s