Koos van Zomeren tijdens de In Between Days

De tijd, als hij bestaat, is onverschillig. Dus ook voor Robert Smith. Jaren had ik niet aan hem gedacht, net zoals ik ook jaren niet dacht aan The Cure, de groep die midden jaren tachtig onderdeel was van, ja, van wat? Van onze jongensromantiek? En plotseling zag ik hem terug, Smith, op YouTube. Iets ouder geworden. Voller, ook. Gekreukeld was hij. Net zo onopgemaakt opgemaakt als in de jaren zeventig en tachtig. Het is overigens een mooi optreden, in Parijs, met die irritante gitarist er weer, of nog, bij.

Bovenstaande alinea schreef ik drie dagen geleden. Ik ben nu vergeten waarom ik die schreef en welke kant ik met het stukje op wilde. Het is een fragment van een nooit-ontstaan verhaal, een potscherf, de linker verstandskies van een beest dat nog niet beschreven is. Ondertussen deed ik drie dagen andere dingen, werkte, leefde, haalde adem, was in Hinderickx & Winderickx en in het Centraal Museum, wandelde over de Oudegracht, hoestte mijn verkoudheid er definitief uit, sliep, solliciteerde naar ander werk, had lief en had niet lief, hield me voor de wereld verborgen, dacht na en schreef, – maar wat ik over Robert Smith wilde schrijven is me ontgaan.

De afgelopen dagen las ik Naar de natuur van Koos van Zomeren, een ‘journaal’ waarin hij wil onderzoeken wat de stand van zaken is in de Nederlandse natuur. Het valt allemaal niet mee, kan ik verklappen. Ik kan het verklappen, want het boek ‘gaat’ niet zozeer over die natuur, het gaat over de positie van Van Zomeren in die natuur en, uiteindelijk, in ‘het leven’. Het is een bepaling van plaats, zoals alle journaals dat zijn. In zeer terughoudend proza, die een bijna emotioneel karakter moeten bedekken, doet Van Zomeren verslag van een jaar. Soms strooit hij er meesterlijke volzinnen doorheen, dan schiet je tijdens het lezen even omhoog. Oh ja, Van Zomeren is, behalve van alles, ook een erg goede schrijver. Dat wordt je dan opnieuw ingeprent.

Een voorbeeld. Als hij de mooie, sneeuwrijke winter van 2009/2010 beschrijft, merkt hij na een bladzijde of wat op: ‘Als het morgen nog mooier is, ben ik door mijn superlatieven heen.’ Ik weet niet waarom precies, maar ik moet daar om lachen. Het plotseling wijzigende perspectief (van de natuur naar Van Zomeren zelf, naar zijn schriftuur) werkt erg goed. Van Zomeren is altijd onderdeel van de natuur die hij beschrijft, hij is net als de vogels en de bomen en de planten en de schimmelstructuren die hij beschrijft een levend iets in het grotere geheel dat de natuur is. De afstand die de mens in acht neemt, omdat hij wat hij ziet kan formuleren, of meten, of onderzoeken, valt soms weg bij Van Zomeren, en met zo’n zinnetje herstelt hij dat even. Omdat het niet anders kan.

Na lezing van Van Zomeren heb ik, opnieuw, voor de zoveelste keer, zin om een dagboek te beginnen. Hoe vaak heb ik dat gedaan? Ik denk minstens tien keer. De eerste dagen gaat het nog, dan zijn er best dingen te schrijven. Na een week wordt het al moeilijker. En dan? Dan laat ik het sloffen. Al die dingen die je vergeet, omdat ze nooit zijn opgeschreven. Of die, als ze zijn opgeschreven, volledig duister blijven. Zoals de alinea waarmee ik vandaag begon. Ik luister nu nog een keer naar het optreden. In Between Days maakt herinneringen wakker aan Nijmegen, toen ik daar woonde, net nadat Van Zomeren er raadslid was geweest overigens, in een huis in de straat waar het hoofdkantoor van de SP (waar Van Zomeren toen lid van was, of net niet meer) was gevestigd. Wat, als ik die verhalen nu eens opschreef?

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s