Zoals eenzame gekken dat plegen te doen

de-procedureHet duurt even voordat je de subtiele ironie, waarvan het werk van Harry Mulisch doordrenkt is, ten volle begrijpt. Mulisch is geen typische Nederlander, of Hollander, zoals W.F. Hermans en Gerard Reve. Hij is een Duitse, nee Duits-Oostenrijkse, nee Oostenrijks-Hongaarse, nee Europese schrijver. Zijn stijl is niet bewust-klein, zoals die van Nescio (de meest overschatte schrijver van Noord-Holland) of zelfs maar literair (zoals van de meeste schrijvers): zijn stijl is, hij is wat hij is. Hij is Mulisch, en daarom is hij ook meer dan Mulisch. Dit is overigens een (mislukte) Mulischachtige wending.

Mijn exemplaar van De Procedure is uit 2001. Het is een van de exemplaren die het ‘115de tot en met 140ste duizendtal’ volmaken. Onbegrijpelijk, dit oplagecijfer, voor een roman zo ingewikkeld als deze. Ergens tussen het verschijnen van deze zesde druk en de tijd van verkoop ging de gulden over in de euro. De verkoper veranderde 25,– in €11,34. Dat was eigenlijk best duur, in 2001. In 2016 zou een boek van deze uitvoering de ‘midprice’ heten en €15 kosten. Boeken zijn niet veel duurder geworden; uitgevers moeten het gevecht om de marge voeren op een kleiner speelveld. Ik kocht dit exemplaar begin van dit jaar op aanraden van een vriend van me. In een kringloopwinkel, voor €2.

De Procedure bestaat uit drie ‘aktes’, allemaal onderverdeeld in ‘stukken’. Na een vrij ingewikkeld stuk getiteld ‘De mens’, waarin Mulisch zijn persoonlijke scheppingsverhaal probeert te formuleren, begint het tweede stuk, ‘Het personage’, als volgt:

Ziezo, de opzet is gelukt. Wij zijn onder elkaar. De onreine meelezers zijn hals over kop gevlucht voor al die spookachtige letters. ‘Dit lijkt naar niets!’ hoorde ik je roepen. Jij zei hetzelfde, maar anders: ‘Dit is onvergelijkelijk.’ Alleen jij bent er nu nog. Ik zie je niet en ik weet niet hoe je heet, het is alsof ik een willekeurig telefoonnummer heb gedraaid, zoals eenzame gekken dat plegen te doen.

Een prachtige omschrijving van het schrijverschap (dat eveneens een vorm van scheppen impliceert), die in de tijd van smartphone en nummerherkenning misschien minder goed te begrijpen is, al is hij nog steeds goed te begrijpen. Schrijven als het draaien van een willekeurig telefoonnummer. De lezer als iemand die naar het gepraat van een eenzame gek luistert. We zijn hier wel heel ver verwijderd van publieksvriendelijkheid, en dat is een grote opluchting. Een boek wordt namelijk niet geschreven voor een publiek, maar omdat de schrijver het wil schrijven. Wat het publiek er verder mee wil doen, moet het zelf weten.

De geciteerde passage is natuurlijk ook ironisch. Het is niet de ironie van Reve, of de in soms bitter smalen verpakte ironische haat van Hermans, het is Mulischachtige ironie. Het is een spel met de goede verstaander, die zijn plaats moet kennen. Eerst is er Mulisch, de eenzame gek, daarna pas mag hij, de enige lezer, het toneel betreden. Iedereen moet de voorgeschreven rol spelen, in het universum waar Harry Mulisch met de letters zwaait. Hoewel: zelfs Harry kan het niet alleen.

Na jarenlang nadenken over dit dossier, experimenteren, falen, soms tot op de grens van de uitputting, besefte ik dat ik hulp nodig had, net als Abraham. Maar waar kon ik die vinden? Jij was er nog niet. Om zelfs maar te kunnen beginnen met dit verhaal – dat intussen begonnen is, al vind ook jij het tot zover niet erg op een verhaal lijken, maar dat komt nog wel – besloot ik het hogerop te zoeken en mij te wenden tot mijn transcendente collega’s zelf.

Bij zijn collega’s gaat hij te rade, de verteller, de Mulisch, de alwetende schepper van boek & oeuvre. Ik snap de weerzin die mensen kunnen hebben tegen Mulisch en tegen zijn voor arrogantie versleten zelfverzekerdheid, maar wie dit niet mooi vindt, heeft weinig gevoel. Weinig gevoel voor stijl ook, of voor literatuur in het algemeen. Via een schrijver als Harry Mulisch krijgen wij, gewone stervelingen, heel even contact met alle voorgangers van Harry Mulisch, die hebben geleefd om hemzelf de schepping over te laten doen.

De ironie kan zichzelf daarin, in die altijd nieuwe en eeuwige schepping, zoals alle ironie zou moeten doen in een schepping die de moeite waard is, om zeep helpen. Er is altijd wel een eenzame gek te vinden die briljant genoeg is om het, keer op keer, over te doen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s