Elia met de raven – een boek weggooien om erger te voorkomen

Vandaag besloot ik om 35000 geschreven woorden weg te gooien. Ik ben geen Simenon of Sartre die dan ‘wel even’ een nieuw manuscript maakt. Mijn beslissing heeft iets grotere gevolgen. Er is niets meer, waar tot voor kort iets leek te zijn, of leek te kunnen ontstaan.

Toch is het weggooien van die 35000 woorden ook een goede beslissing geweest. Meteen nadat ik het (symbolisch, want echt weggooien deed ik ze niet, ze blijven opgeslagen in mijn wolk) had gedaan, kreeg ik een idee voor een ander boek, een plaatsvervangend boek, waarvan ik al enige duizenden woorden schreef. Het weggegooide boek kan ik er deels in kwijt.

Dit is allemaal niet nieuw en zeker geen reden tot neerslachtigheid. Integendeel, ik voel de lichte koorts die voorafgaat aan schrijven weer opkomen. Die in zichzelf-gekeerde concentratie, als je alles om je heen ziet en waarneemt en toch geen moment niet denkt aan de tekst die je wilt schrijven.

De personages die ik nu in de mist heb geduwd, Leah, Noriko, Jonathan, leefden niet. Ze spraken en handelden, maar ze waren nog te ‘echt’, te overduidelijk gebaseerd op bestaande mensen en te weinig opgelost in de fictie die ze in taal tot leven moest wekken. Ze bestonden alleen nog maar in het echt, niet op papier.

Nu is het zaak om er de kop een paar maanden goed bij te houden. Dan is alles weer goed. Niet gerepareerd, maar echt goed. Ik heb de personages niet het leven kunnen geven, en dat kan ik nu rechtzetten door ze opnieuw te verzinnen. Door ze uit mijn mislukte boek te verlossen en ze los te laten in een nieuwe omgeving. Misschien besluiten ze wel om er niet meer in te willen rondlopen – ook dat is toegestaan.

Schrijven is niet schrappen, maar wachten. Die kunst heb ik de afgelopen maanden niet genoeg beoefend. Ik had het moment waarop alles samenviel en begon te lopen, gisteren, maanden geleden over het hoofd gezien. Slordig. Een beginnersfout, als je het goed bekijkt. Het schrijven aan een nieuw boek gaf genoeg roes om het, achteraf, toch de moeite waard te maken.

Harry Mulisch schreef ooit een boek waarin hij een boek dat hij nooit heeft geschreven beschrijft: De toekomst van gisteren. Voor mij is die toekomst gisteren begonnen. Ik ga het boek pas herlezen als ik klaar ben met mijn eigen boek. Voorlopig laat ik me niet ringeloren door de brille van Mulisch.

Een gedicht van Martinus Nijhoff, tot slot. Een vaardig gedicht. Met een toepasselijke inhoud. Opdracht aan mezelf: maak de volgende tekst die je schrijft minder koket en minder opzichtig-superieur.

De schrijver

Op deze plek heeft een gedicht gestaan,
’t Beviel me niet. Toen ik het op wou knappen,
toen bleef er, toen mijn pen begon te schrappen,
per slot van rekening geen woord van staan.

Het gaf een beeld van ’t schrijverlijk bestaan,
zijn zelfverwijt en andere eigenschappen.
Het was vooral triest door de trieste grappen.
Neen, het was goed noch slecht, er was niets aan.

Het was geïnspireerd op een Jan Steen:
Elia – misschien zal u dit verbazen –
Elia met de raven om zich heen.

Mijn vogels werden stenen door de glazen,
en mijn Elia werd vel over been.
Hier rust zijn as. Requiescat in pace.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s