Nummer zes met extra kogels

Mijn eerste slaapplek in Amsterdam, het was 1994 en ik had een baan aangenomen bij een boekhandel, lag boven een Chinees afhaalrestaurant aan de Binnen Bantammerstraat. Als je naar binnen wilde, moest je eerst door het restaurant zelf. Mijn kamer was redelijk groot en bevond zich op de derde verdieping. Als ik naar de douche ging, sijpelde er water naar beneden, langs de groen-uitgeslagen wanden van de tweede en de eerste verdieping en de begane grond. De huisbaas beloofde er iets aan te doen. Volgens de andere bewoners beloofde hij dat al een paar jaar.

Er was niet veel te doen in het afhaalrestaurant. Soms kocht ik iets, meestal nummer zes (nasi met groenten en vlees) met extra sambal. Ik maakte dan een praatje met de huisbaas, die altijd informeerde of ik van plan was om te trouwen. Want getrouwd zijn, dat was goed. Niet getrouwde mannen hadden geen leven. Een keer vroeg ik hem of hij zélf een vrouw had? Nee, dat niet. Of beter: niet meer. Zijn vrouw was op haar veertigste gestorven aan ‘een heel erge ziekte’. Ik vroeg niet verder. Na een korte stilte zei de huisbaas dat ik nog jong was en mijn kansen op de huwelijksmarkt niet mocht vergooien.

De sfeer in de straat was in die tijd gespannen. Als ik in bed lag, hoorde ik de hele nacht door geschreeuw van junks, ruzieachtige gesprekken tussen hoeren en pooiers, bevelen van agenten en gerinkel van glas of gebonk van dingen die op de grond werden gegooid. Volgens mijn medebewoners was het er al veel beter dan jaren geleden, toen de politie de wijk min of meer had opgegeven, maar voor mij, gewend aan Nijmegen, was het net alsof ik plotseling in een film was beland. Ik vond er niet veel aan. Ik had wel weer eens zin om een nacht door te slapen.

Op vrijdag kwamen er altijd vier mannen naar het afhaalrestaurant. Ze aten niets. De huisbaas en de mannen spraken in het Chinees, dronken thee en af en toe hoorde je het gelach tot op mijn verdieping. Als ik binnenkwam, vielen ze even stil, keken me aan en begonnen dan opnieuw. Ik was duidelijk geen partij. De huisbaas leek me iets meer gespannen dan anders, tijdens zulke gesprekken. Ik vroeg hem een keer wie die mannen waren, maar hij weigerde een antwoord te geven. Ik hoefde niet alles te weten, zei hij.

Op een dag kwam ik na mijn werk thuis. Voor het huis stonden twee politieauto’s. Ik mocht niet naar binnen. Volgens een van de agenten die het huis in de gaten hielden, was mijn huisbaas neergeschoten. Hij was onder zijn auto gekropen en daar hadden ze hem te pakken gekregen. ‘Zes schoten,’ zei een agent. ‘Het zal wel niet zijn geweest omdat de nasi te flauw was,’ vulde een andere aan. Amsterdamse humor. Het duurde vier uur voordat ik eindelijk naar mijn kamer mocht, maar alleen om daar mijn spullen uit te halen. Ik mocht er niet blijven slapen. Gelukkig kon ik terecht op de bank bij een goede vriend.

Niet veel later bleek het pand te zijn overgekocht door een andere Chinees en mochten we onze kamers weer betrekken. Ik heb er nog een maand gewoond en toen kreeg ik een echt huis in de Pijp. De laatste nacht dat ik er verbleef, sliep een meisje naast me dat eigenlijk verliefd was op iemand anders. Die persoon was op zijn beurt verliefd op een vrouw die hij niet kon krijgen, of die al gebonden was. Ik liet haar ’s ochtends uit, ze moest naar haar werk. Om haar studie te bekostigen was ze verpleegster. Ik vond haar een beetje dommig. Later is ze nog goed terechtgekomen, net als bijna iedereen. Ze ging in de politiek.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s