Lezen (96): Emile Verhaeren

emile_verhaeren01Wat er aan passionele liefde op kan vonken – honderd jaar na de dood van Emile Verhaeren

Dit artikel is verschenen in het meest recente nummer van Staalkaart.

Hij was Harry Mulisch, Hugo Claus en Philippe Sollers in één persoon verenigd. Hij was een Franstalige kosmopoliet die tijdens WO I Vlaming werd. Maar zijn Emile Verhaerens ‘monumentale, ongelezen woorden’ bestand tegen de 21ste eeuw?

Als ik eerlijk ben: ik had tot voor kort nog nooit een letter van Emile Verhaeren gelezen. In mijn hoofd raakte hij altijd in de war met Paul Verlaine. Nu heb ik het goedgemaakt. Gelukkig maar. De lezing van Veerman, een bloemlezing van Koen Stassijns, en van twee losse bundels die Uitgeverij P op de markt bracht, had ik niet willen missen in dit Emile Verhaeren-jaar, waarin op 27 november aanstaande zijn honderdste sterfdag wordt herdacht.

Verhaeren beleefde zijn hoogtijdagen toen de poëzie op iets meer ‘cultureel kapitaal’ kon rekenen dan tegenwoordig, en hij was niet alleen de lieveling van literaire grootheden als Rainer Maria Rilke en André Gide, ook koning Albert I en koningin Elisabeth mocht hij tot zijn naaste vrienden rekenen. Hij werd daarom ook, niet zonder reden, ‘de Nationale Dichhter’ genoemd, een soort Dichter des Vaderlands dus – met een status waar Laurence Vielle en Anne Vegter niet aan kunnen tippen.
Maar wie was Emile Verhaeren (1855-1916), die in heel Europa een bekende naam was? Hij werd geboren in Sint-Amands, bij Antwerpen, in een milieu waar Frans werd gesproken. Daarmee behoorde hij tot die toen grote groep Franstalige Vlamingen, die alleen op het lagere onderwijs met het Nederlands in aanraking kwamen. Het is daarom logisch dat hij zijn werken in het Frans schreef – en daarmee een culturele barrière kon slechten, anders dan zijn Nederlandstalige collega’s die dat pas later, en met veel minder resultaat, deden.

Hij studeerde rechten, maar zei deze discipline al vroeg vaarwel, om zich helemaal aan het schrijven te wijden. In 1883 debuteert hij met de bundel Les Flamandes, die inderdaad gewijd is aan het Vlaamse land. In 1986 volgt Les Moines, een religieus-mystieke bundel, en dan verschijnen er tussen 1988 en 1991 drie bundels die zijn faam pas echt vestigen: Les Soirs (1888), Les Débâcles (1888) en Flambeaux noirs (1891), zijn zogenaamde ‘zwarte trilogie’. Die inderdaad inktzwart is. Ik citeer uit het gedicht ‘De dode’:

Gevierd door het starre uur aan de horizon,
Sleept het kadaver van mijn rede, in haar japon
Van dode juwelen, zich langs de boord
Van de Theems almaar voort.

Verhaeren lijdt in die jaren, aan zenuwachtige aanvallen, ongeveer zoals het in die tijd van fin de siècle hoort, maar hij is niet alleen een kind van zijn tijd, hij volgt die tijd ook met grote belangstelling. Vaak wordt hij als een van de eerste pleitbezorgers voor werk van kunstenaars als James Ensor en Fernand Khnopff genoemd, kunstenaars met wie hij zich zeker verwant zal hebben gevoeld. Je kunt je bijna niet voorstellen hoe veel er toen gebeurde, in Vlaanderen en omstreken, op cultureel gebied. Alsof de rijpe vrucht die Europa in die jaren was het gebied tussen Antwerpen en Brussen en Parijs had gekozen om net in die periode het smakelijkst (en het dichtst tegen het bederf aan) te zijn. Toch was er tegelijk, alomtegenwoordig, het besef dat alles ten einde liep. Misschien onbewust, maar het was er wel. In de woorden van Verhaeren:

Ik ben de hallucinant van het Getallenwoud,

Mijn brein is, door verdriet bevangen,
Naast de boeken, volledig leeggebloed
In hun schaduwgat, omgeven met een gloed;
Hier, voor mijn ogen, als kronkelende slangen,
Vermengen zich de dronken geschriften.
Mijn vuisten willen niet meer overeind
Door mijn trieste nachten heen, met de gewichten
Van die getallen aan het eind;
Met de ontmoediging altijd
Van hun begrensde zekerheid.

Terwijl Europa onvermijdelijk ten onder gaat, gaat het Verhaeren almaar beter. Een huwelijk redt hem van de zenuwaanvallen, wat zijn poëzie in de jaren na 1891 een wat vrolijker aanzien geeft, al wordt hij nooit een vrolijke jongen. Hij vindt in Mercure de France een uitgeverij die hem door heel Europa bekend maakt en hij droomt zelf al van de Nobelprijs. Die hij niet zal krijgen, al laat hij zelf geen middel onbenut om dat doel te bereiken. Hij stuurt zelfs bundel naar het committée dat de prijs uitreikt. Nooit geschoten, is altijd mis.

Verhaeren is een kosmopoliet, die zich gemakkelijk in de hoogste culturele kringen begeeft (hij is inmiddels bevriend met Auguste Rodin, Rainer Maria Rilke en Stefan Zweig). Hij is Harry Mulisch, Hugo Claus en Philippe Sollers in één persoon verenigd. Wat kan hem, op weg naar een gelukkige oude dag met zijn bruid Marthe Massin, nog gebeuren. Niets.
Niets, of weinig. Want in 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Heel Europa komt naar het België van Verhaeren, om daar een van de grootste slachtpartijen van de twintigste eeuw op touw te zetten. De landen die tot voor kort nog cultureel met elkaar waren verbonden, staan als vijanden tegenover elkaar. Duitsland, het koning- en keizerrijk Oostenrijk-Hongarije en Frankrijk: niets is meer wat het tijdens het fin de siècle leek. De moderne tijd is aangebroken.

Verhaeren vluchtte eerst naar Engeland, maar in 1915 kwam hij terug naar het vasteland, naar Frankrijk. Met zijn goede vriend Zweig had hij inmiddels gebroken en hij had vriendschap gesloten met koning Albert I en zijn koningin Elisabeth. De koning neemt hij twee keer mee naar de slagvelden bij de IJzer. Verhaeren is ontzet en schrijft een reeks ‘Vlaamse’ gedichten. De kosmopoliet is Vlaming geworden.

Midden in die Grote Oorlog sterft Verhaeren. Dat gaat niet op een gewone manier, natuurlijk. Hij blijft in een treinongeluk ergens in de buurt van Rouen. ‘Mijn vrouw, mijn vaderland,’ dat zouden zijn laatste woorden zijn geweest. Sommige mythes zijn veel te mooi om de waarheid ervan te onderzoeken.

Tijdens het Verhaeren-jaar zijn er twee bundels met werk van hem verschenen. Koen Stassijns koos uit het dichterlijke oeuvre en verzamelde zijn vertalingen in Veerman. Het is een kloek boek geworden, genaamd naar een van de evergreens van Verhaeren: ‘Le Passeur d’Eau’: ‘De veerman, riemen in de handen, / al heel de tijd in strijd stroomop, / een halm groen riet tussen de tanden. // Maar ach, zij die hem riep, / ginds aan de overzij, over de golven, / en almaar verder, ver over de golven, / zij week in nevelwolken.’

Bij Uitgeverij P verscheen Les Villages illusoires uit 1895, als Dorpen van Zinsbedrog, in een vertaling van Stefaan van den Bremt. Dezelfde uitgever zorgde, in samenwerking met dezelfde vertaler, in 2013 al voor Les Campagnes hallucinées & Les Villes tentaculaires, twee delen van Verhaerens ‘sociale trilogie’, die in het Nederlands werden omgebouwd tot Hallucinerend platteland & Tentakelsteden.
Of deze bundels Verhaeren weer tot een van de bekendste Vlaamse of Europese dichters maken, honderd jaar na zijn dood? Ik weet het niet. Hij is zeker een ‘interessant’ dichter, een combinatie van cultureel boegbeeld en vaderlandslievend anti-Duitser, hij stond overal met zijn neus bovenop en schreef over kunstwerken die we nu nog bekijken. James Ensor heeft, net als Emile Verhaeren, zijn eigen museum.

Maar helaas is poëzie, behalve van alle tijden, ook tijdgebonden. En Verhaeren is zo tijdgebonden dat we nu alleen met lichte verbazing, zij het bewondering, naar die verzen kunnen kijken. Wat dat betreft lijkt hij wel een beetje op Karel van de Woestijne: ook een monument waar de aanslag van de jaren op zit.

Toch is het soms moeilijk om je aan de cadans van zijn woorden te onttrekken. Zelfs in de vertalingen van Van den Bremt en Stassijns blijft die overeind. Een voorbeeld, uit Les Heures du Soir, het zesentwintigste gedicht:

De avonduren 26

En als je voor het licht mijn ogen sluiten moet,
Kus ze dan lang, want ze hebben alles geschonken
Wat er aan passionele liefde op kan vonken
In de ultieme blik van hun ultieme gloed.

Wend dan je mooi en droef gelaat niet van hen af
In de starre glans die rond de rouwtoorts waart,
Zodat het enige beeld dat in hen wordt bewaard
Zich af kan tekenen en voortduurt in het graf.

Zodat ik, voor de kist genageld is, voel hoezeer
Op het witte bed onze handen zijn vervlecht
En hoe je aan mijn slaap je wang te rusten legt
Op de bleke peluw, een allerlaatste keer.

Zodat, nadat ik in de verte ben verwaaid
Met mijn hart dat jou bewaren zal en zozeer laait
Dat zelfs door de compacte en dode aarde heen,
De andere doden dat vuur zullen voelen, meteen!

Hoewel Verhaeren natuurlijk beter tot zijn recht komt in het Frans: ‘Et qu’après je m’en aille au loin avec mon cœur, / Qui te conservera une flamme si forte / Que même à travers la terre compacte et morte / Les autres morts en sentiront l’ardeur!’ Net dat Frans, dat elegante Frans, zou hem wel eens kunnen nekken. Wie leest er nog Frans, zelfs in Vlaanderen? Wie trekt zich, buiten Frankrijk, nog iets van de in het Frans geschreven literatuur aan?

Arme Verhaeren. Honderd jaar dood en nog niet uit zijn sluimer gewekt. Een ‘gouden dode’, letterlijk. Opgebaard in een kist die van zijn monumentale, ongelezen woorden is gemaakt.

Emile Verhaeren, Veerman, bloemlezing en vertaling door Koen Stassijns, Lanno, Tielt, 2016
Emile Verhaeren, Dorpen van Zinsbedrog, vertaling Stefaan van den Bremt, Uitgeverij P, Leuven, 2016
Emile Verhaeren, Hallucinerend platteland & Tentakelsteden, vertaling Stefaan van den Bremt, Uitgeverij P, Leuven, 2013

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s