Lezen (94): Naar aanleiding van Catherine Millet

Sexual_life_of_catherine_MIn 2001 verscheen Het seksuele leven van Catherine M., de vertaling van La vie sexuelle de Catherine M. De schrijfster van het boek, Catherine Millet (hela, ook een Catherine M.) zorgde voor nogal wat opschudding. Zo expliciet was er nog bijna nooit geschreven, door een vrouw, over groepsseks, orgies, ongebreidelde seks in de openbare ruimte en zo voort, en zo verder. Was het een chronique scandaleuse of was hier de vrouwelijke tegenhanger van Henry Miller (of D.A.F. de Sade, of Georges Bataille) opgestaan? De Vlaamse krant De Morgen liet optekenen: ‘Dit is geen zoveelste instant erotisch romannetje, al druipt het van de seks en wordt alles ongegeneerd bij de naam genoemd. Het is een belangrijk boek, dat pregnante vragen oproept.’

Al van jongs af aan bouw ik aan een privé-bibliotheek met boeken die én goed geschreven zijn én (seksueel) opwindend. Een bibliotheek met boeken die erotisch proza bevatten, dus. Niet zozeer omdat ik ‘vieze boeken’ wilde lezen, maar omdat ik in die boeken iets van de bijna mystieke opwinding wilde terugvinden waarin ik vanaf mijn elfde of twaalfde met enige regelmaat verviel. Het begon met schrijvers als Jan Wolkers en Jan Cremer. Maar zij wisten het toch niet helemaal te brengen, de seks in hun verhalen en romans was net iets te onbehouwen opgeschreven. Ik herinner me nog de diepe, ja bittere teleurstelling die me overviel na het lezen van Turks Fruit. Dát was dus alles… en Jan Cremer leek zich meer te richten op een vorm van turncommentaar dan op de beschrijving van opwindende gebeurtenissen tussen de lakens of elders.

Gerard Reve was al beter. Zijn omschrijvingen van allerlei stoeipartijen werkten veel beter, vooral omdat hij niet alles platwalste, zoals zijn collega’s  Wolkers en Cremer. In Oud en Eenzaam wist hij zelfs een overtuigende vrijpartij met een vrouw te beschrijven, iets wat ik bij hem niet meteen had verwacht. Geisha van Theo Kars was wel aardig, al is Kars niet heel erg goed in het beschrijven van de daad zelf. Dan krijgt zijn proza iets mechanisch’. Louis Paul Boons Mieke Maaike was grappig, zij het soms iets te leutig. Een vriend kwam met de vertalingen van Henry Miller, maar helaas bleek ook Miller eerder een sportcommentator dan een fijnzinnige schrijver. Via Miller kwam ik bij Anais Nin uit, een schrijfster waar ik toen nog niets van begreep. Waar hád die vrouw het in hemelsnaam over? Toch bleef ik op zoek. Ik wist dat de boeken die ik zocht ergens moesten zijn.

Pas toen ik ging studeren, kreeg mijn persoonlijke bibliotheek een beetje body. Michel Foucaults inleiding tot Discipline, toezicht en straf, de studies en de romans van Georges Bataille, de romans van D.A.F. de Sade, sommige werken van Pier Paolo Pasolini, een merkwaardige roman getiteld The boys on the rock van John Fox, een in 1990 aan AIDS gestorven Amerikaan, Het verhaal van O van Pauline Réage, Venus im Pelz, eindeloze reeksen Engelse kostschoolboeken… enfin. Alles bleek er inderdaad, na enig zoeken, te zijn. Er was een parallelle, geschreven wereld, waarin het lichaam onderwerp was van een schriftuur die de mystiek van de opwinding niet alleen probeerde, maar ook kón benaderen en, letterlijk, vrij maken. Ik was, om het dramatisch te zeggen, niet alleen. Wat me eigenlijk pas achteraf opvalt: ik maakte, waar het het lezen van erotica betreft, geen onderscheid tussen homo- of heteroseksualiteit, alsof dat in de taal was opgelost.

Ik schreef hierboven ‘erotica’. Dat is niet helemaal het goede woord. Ik was niet de gemiddelde verzamelaar van erotica, een bij antiquariaten bekende sub-soort bibliofiel; dat is een vaak wat oudere heer die zijn afnemende lusten soms nog kan optuigen na het lezen van bepaalde boeken, waarin wordt gedaan wat hij zichzelf om gezondheidsredenen moet ontzeggen. Misschien word ik ooit een dergelijke verzamelaar, maar mij ging het toch om iets anders, om de verwoording van de (inderdaad bijna mystiek te noemen) vrijheid die een lichaam tijdelijk, in seks, kan verwerven. Om het formuleren van het opheffen van grenzen. De lectuur van Ruusbroec kan in dat verband net zo ‘opwindend’ zijn als de herlezing van Het verhaal van O. Overal waar de taal naar de grenzen klauwt, om die uit te wissen, gebeurt er iets dat magisch én opwindend is.

Een paar dagen geleden kocht ik Het seksuele leven van Catherine M. in de kringloopwinkel, voor twee euro. Ik had het al eerder gelezen, omdat een ex-vriendin van me het bij verschijnen had gekocht. Zij begeleidde mijn toenmalige lectuur met vragen als ‘dus jij vindt die vrouw op het omslag mooi?’ Helemaal objectief stond ik er toen niet in, het leek wel of ik, door het boek te lezen en er van te genieten, in een concurrentieslag tussen mijn vriendin en Catherine terecht kwam. Nu, vijftien jaar later, sta ik er anders in, en ik ben verbluft. Wat is dit een goed boek, ik kan het maar heel langzaam lezen omdat alles wat ze schrijft me keer op keer verbaast. Niet omdat het, zoals de kwezels van De Morgen destijds stelden, ‘pregnante vragen oproept’, maar omdat het de geschreven neerslag is van een levenslange fascinatie, die in vrijheid is beleefd. Millet gaat juist alle ‘pregnante vragen’ uit de weg. Ze legt geen verantwoording af, ze vertelt het verhaal van haar leven aan de hand van haar seksuele belevenissen, zonder er doekjes om te winden of er zinloos moralisme aan te verbinden. En hoewel ze inderdaad alles bij naam noemt, wordt het nergens plat, zoals bij Miller. De platte taal van Millet is functioneel; mooiere formuleringen zouden de aandacht van het verhaal afleiden.

De lezer heeft inmiddels begrepen dat ik (zoals ik hierboven heb uiteengezet) de vrije wil aanvaardde als basis voor een dergelijk seksleven en uitstapjes als bovengenoemde ondernam; maar toch was de speelruimte slechts meetbaar in relatie tot zijn tegengestelde: de onvermijdelijkheid van ontmoetingen, het determinisme van een keten waarvan een schakel – een man – je met een andere schakel verbindt , die je weer met een andere verbindt, enzovoort. Mijn vrijheid was er niet één waar je naargelang de omstandigheden van je leven op terugkomt, ze drukte zichzelf slechts eens en voor altijd uit, in de acceptatie van het lot waar je je op verlaat, en zonder voorbehoud – als een non die haar gelofte aflegt!

Millet verkleint haar ‘speelruimte’ door alles van de keten van mannen die ze ontmoet te laten afhangen, en juist daarin vergroot ze de ruimte waarbinnen ze zich begeeft. De vergelijking met de gelofte die een non moet afleggen is zeker niet misplaatst, in dit geval: ook een kloosterling of kloosterlinge is ‘veroordeeld’ tot een beperkte ruimte, die via de mystieke ervaring oneindig kan worden uitvergroot. De mystieke ervaring van Theresia van Avila of Johannes van het Kruis is niet wezenlijk anders dan die van Catherine Millet. Heeft een dergelijk leven een keerzijde? Jazeker. Theresia en Johannes leden lichamelijk. Millet begon, op den duur, te lijden aan jaloezie. Op haar partner, die zich dezelfde uitstapjes permitteerde als zijzelf deed. De weg naar verlossing is altijd geplaveid met een martelgang richting de hel. Ik ben nu al benieuwd naar de rest van de roman en naar de opvolger, die (ook toevallig) Jaloezie heet.

Het seksuele leven van Catherine M., Catherine Millet, De Bezige Bij, Amsterdam, 2001, vertaling Kiki Coumans en Martine Vosmaer

Foto: Herman van den Boom

Foto: Herman van den Boom

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s