Lezen (93) Invocatio van H. Marsman

marsmanToen ik met De Contrabas stopte, nu alweer bijna een jaar geleden, kwam de Nederlandstalige poëzie me de keel uit. Ik schreef het zelf, in deze blogpost. Ik beschreef daarin ook hoe ik me over dit gevoel heen werkte: door aan een bloemlezing te werken. Een van de dichters die ik opnieuw ben gaan waarderen, is H. Marsman, en tijdens het herlezen (of misschien is scannen een beter woord) van zijn verzamelde gedichten bleef ik keer op keer haken aan het gedicht ‘Invocatio’: geschreven in een buigzaam Nederlands dat, hoewel niet modern, heel hedendaags en levend aandoet. Opgetrokken in een metrum dat zich onontkoombaar ontrolt, van de eerste strofe tot en met de laatste, waarbij eerste en laatste strofe niet toevallig hetzelfde zijn.

Laat mij in uwer haren mantel slapen
en leg uw donker om mijn wilde hart,
verban het licht uit mijner oogen dalen
en vouw uw venster open in den nacht.

Dit Nederlands is bijna Duits, met naamvallen die tegenwoordig uit de geschreven taal zijn weg-geslepen. Je gaat er bijna spontaan het rijtje ‘an, auf, hinter, in, neben, über, unter, vor, zwischen’ van opdreunen. Deze lenigheid van taal geeft het geheel ook dat bezwerende. De gebiedende wijs waarmee het begint, wordt erdoor verzacht en aangescherpt. Hier is iemand aan het woord die een verzoek formuleert, maar wel een verzoek dat bij voorkeur niet genegeerd mag worden. Er staat hier meer op het spel dan wij, lezers van bijna een eeuw later, kunnen snappen.

Marsman is de dichter van het vitalisme, de bijna ongebreidelde levenslust; dat leerden we op de middelbare school. Wie dit gedicht leest, ziet dat de dichter de ik-figuur vooral naar de schemer en naar het donker laat verlangen: ‘want ik ben moe, de dag heeft mij geslagen / met vuur en wijn uit zijn verweerde bron’. Het vitalisme is hem wellicht een beetje slecht bekomen, of is uitgedraaid op desillusie en dronkenschap. Helemaal duidelijk wordt het niet, al is het overdag niet helemaal goed gegaan: ‘mijn angst versteende teere rozenhagen’. Ondanks alles noemt de ik-figuur zich ‘een blindelings bezetene van zon.’ Volgens mij wil hij ermee zeggen dat hij blindgeslagen is door de felle zon, maar er staat iets dat een positievere lading heeft.

In de rest van het gedicht wordt ‘de vrouw’ verbonden met de schemer en het donker (‘de heuvelflanken, / waardoor de hartslag van den schemer waart’) en de man met het licht, met de zon-bezetenheid, waarvan hij genoeg heeft. Het licht, de man, zoekt troost en wil opgaan in de vrouw, hij wil samenvallen met ‘de schaduw van uw bloed’. De slotregel, die ook de slotregel van de eerste strofe is, ‘en vouw uw venster open in den nacht’, lees ik als ‘hoogevend’: het donker temt, verzwelgt of ‘troost’ het licht, maar er is geen sprake van verdwijnen, het raam blijft op een kier, er is nog steeds verbinding met de buitenwereld.

Zo gelezen is de vitalist Marsman toch nog behoorlijk romantisch van inslag. De vrouw is het donker, de man het licht. Het donker moet het licht temmen. De man schroeit zich aan het licht en kan daarna alleen rust vinden bij het donker, bij de vrouw. Alle romantische cliché’s van de vrouw als tegenpool van de man, als een onbegrijpelijke kracht, spelen op de achtergrond mee. De grote romantische thema’s waren doordrenkt van vrouwenangst (die een gesublimeerde vorm van vrouwenhaat was).

En tóch werkt het gedicht. Misschien juist omdat Marsman zich niet bewust is van de valkuil waarin hij loopt. Hij denkt zelf dat hij, de voorman van het vitalisme, de oude poëtische normen en waarden heeft afgelegd. Dat hij bruist van toekomstgerichte levendigheid (maar het is toch de vrouw die het venster moet openvouwen).

Invocatio

Laat mij in uwer haren mantel slapen
en leg uw donker om mijn wilde hart,
verban het licht uit mijner oogen dalen
en vouw uw venster open in den nacht.

want ik ben moe, de dag heeft mij geslagen
met vuur en wijn uit zijn verweerde bron
mijn angst versteende teere rozenhagen:
ik ben een blindelings bezetene van zon.

omhul mijn hoofd en laat de schuwe handen,
verborgen in de schee van uw gewaad,
zich ankren mogen aan de heuvelflanken,
waardoor de hartslag van den schemer waart.

en neem mijn mond, want haar verdroogde vlammen
verzengen naar de schaduw van uw bloed,
bedauw mijn stem met schemerende glanzen
en gord mijn oogen aan met zachten moed.

laat mij in uwer haren mantel slapen
en leg uw donker om mijn wilde hart,
verban het licht uit mijner oogen dalen
en vouw uw venster open in den nacht.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s