There is a light and it never goes out

13977792_10210382011333030_1516882925_oVrijdagnacht liepen Miekel en ik over de Albert I-promenade in Oostende. Hij vroeg me wat ik zo bijzonder vind aan de stad, iets wat ik niet meteen kon beantwoorden. Ik had de juiste woorden niet paraat en zei daarom: ‘Het is zoiets als jouw liefde voor de Beatles.’ Miekel is al een decennium of vier fan van de Beatles, waar hij alles van weet. Toen ik op de middelbare school zat werd ik daarom een tijdlang fan van de Rolling Stones, een dwaalleer die ik inmiddels, opgelucht, heb verlaten. Je kunt niet eeuwig een puber blijven. Zo gemakkelijk kwam ik er natuurlijk niet mee weg.

De stad is me gegeven door Renate, die me er voor het eerst mee naartoe nam. Ik dacht, zoals iedereen behept met vooroordelen, dat ik er een grijze lelijkheid zou aantreffen, een lelijkheid die de kust omarmt en het landschap aan de kust voorgoed ontwricht. Dat bleek allemaal erg mee te vallen. Sterker: ik vond Oostende op het eerste gezicht mooi. Rob van Essen, inmiddels ook een ervaren Oostende-ganger, schreef op zijn weblog over ‘(…) de flats uit de jaren zestig en zeventig die langs de promenade van Oostende’, gebouwen die ‘in de loop der jaren toch een heel eigen soort schoonheid hebben verworven, omdat het patina van de tijd de lelijkheid van een mild melancholisch laagje heeft voorzien.’

Maar ook dat is niet precies wat er, volgens mij, aan de hand is. Belgen, of met name Vlamingen, zijn gek op nieuwbouw. Overal in Oostende zie je daarom nieuwbouwcomplexen verrijzen, en ook de gebouwen aan de Zeedijk worden met enige regelmaat opnieuw onder handen genomen en gerenoveerd of gewoon half-afgebroken en vervolgens omgetoverd in glanzende paleizen met zeezicht. Als een luchtmacht Oostende niet plat bombardeert, doen projectontwikkelaars het wel. Niet uit onbenulligheid, maar omdat het kopende publiek het zo wil. In Braziliaanse brieven beschrijft August Willemsen dat zijn Braziliaanse vrienden stomverbaasd zijn als ze horen dat Nederlanders graag in oude gebouwen wonen. Nieuwbouw is toch veel fijner? Zoiets is er met Oostende ook aan de hand – en ik moet eerlijk bekennen dat ik dat niet onsympathiek vind.

Natuurlijk heb ik het fanatisme van de bekeerling en ben ik bereid om iedereen die ‘mijn’ stad lelijk noemt onmiddellijk naar de keel te vliegen. Toch ben ik niet blind voor de manier waarop er sinds de Tweede Wereldoorlog soms voor wat merkwaardige bouwkundige oplossingen is gekozen. Ik vind het resultaat alleen mooi, dat wil zeggen: ik ben weerloos tegenover de manier waarop de huizen en gebouwen in en rond het centrum van Oostende zijn georganiseerd. Die weerloosheid is het begin van mijn fascinatie voor de stad. Ik heb er in de loop van de jaren allerlei verhalen en anekdoten omheen geweven, een vorm van misschien wel oneigenlijke (en toch prettige) toe-eigening.

Ik hou van meer dorpen en steden, maar in Oostende is het net of alle tijden voortdurend door elkaar heen lopen. In het oude centrum verwacht je elk moment een oude visser tegen te komen, of een in driedelig kostuum gestoken James Ensor. In de wat morsige taveernes zitten, denk je, de exil-auteurs die er voor de oorlog bivakkeerden iets te drinken en te praten over de vraag of Hitler nog lang aan de macht zal zijn. Joseph Roth krijgt er geld en een afgedragen jasje van Stefan Zweig. Af en toe duikt er een gebouw op dat de moderne tijd probeert te celebreren, maar heel veel doet het er niet aan. Alles wat naar de vooruitgang streeft, wordt hier vroeg of laat naar een algemeen gemiddelde lulligheid toegetrokken, alsof de omgeving tegen alle gebouwen wil zeggen: ‘Probeer je niet mooier voor te doen dan je bent.’ De stad is sterker dan de gebouwen die er tijdelijk in mogen staan. De stad heeft het hier altijd voor het zeggen.

Daar liepen we, Miekel en ik, en ineens zag ik iets. Ik zei: ‘Dit is het. Dit. Die flats links, de zee rechts en daartussen het strand. De lampen die de rand van de boulevard markeren. Het is rustig nu, op wat wandelaars na. Dit is het. Wacht, ik zal er een foto van maken.’ Die foto staat hierboven. Omdat ik geen goede fotograaf ben, ontbreken de zee en het strand. De flats en een paar wandelaars staan er wel goed op. En de lichten die uit de flats komen. Er zitten mensen in hun kamers. Misschien hebben ze elkaar lief. Of anders haten ze elkaar, of zijn ze in onverschilligheid verzonken. Ze kijken televisie of ze lezen. Sommige mensen praten met elkaar. Straks gaan ze, net als de mensen in de donkere appartementen, naar bed. De lichten aan de rand van de boulevard gaan pas uit als het weer licht is. Als je vanuit je raam de zee weer duidelijk kunt zien liggen.

Ik wist dat ik in de buurt was gekomen van wat ik wilde zeggen. Alleen kon ik nog steeds niet helemaal zeggen wat Oostende voor me betekent. Het bleef, die vrijdagnacht, bij een poging, een poging die ik keer op keer kan herhalen. In de hoop dat het geheim zich nooit laat kennen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s