Domweg gelukkig & beaat lachen naar Tom Lanoye

13902199_10210304733081122_1999217692_oToen ik vanmiddag om 13:19 uur in Oostende arriveerde en de eerste zeemeeuwen hoorde, besefte ik ineens iets heel wezenlijks: als ik in Oostende ben, ben ik gelukkig. Het gevoel overkwam me, zonder voorbehoud. Een van de plekken waar ik oud zou willen worden, af en toe kijkend naar de zee, elke dag rondwandelend door die fascinerende stad, is Oostende (hallo lieve uitgever, die een appartement wil kopen waarin ik twee meesterwerken ga schrijven – het huis is alleen van mij als er minder dan 150000 exemplaren van die twee boeken worden verkocht, dus een echt risico loopt u bij de huidige vastgoedprijzen niet). Mijn Mekka, of Gran, ligt op een kilometer of twintig à dertig van Brugge.

Renate leerde me de stad kennen in 2000, toen we ‘voor het laatst’ samen vakantie vierden voordat onze oudste dochter zou worden geboren. Zij kende de stad, omdat haar ouders er ooit een appartement bezaten. Ik was meteen verliefd, verliefder dan Renate. De stad had me meteen te pakken. We logeerden in het nog niet gerenoveerde (en om zeep geholpen) hotel Polaris, naast de lift, die om de paar minuten een omineus gekreun uitstootte en volgens ons drie keer per nacht tussen de verdiepingen bleef hangen. In de ochtend kregen we twee croissants en een beetje jam, een ontbijt even eenvoudig als effectief. Naast ons zaten elke ochtend een grootmoeder en een kleinkind van een jaar of drie. We keken goed, want binnenkort waren wij ook ouders en zat er zo’n miniatuur-volwassene naast ons.

In de jaren die erop volgden, gingen we met onze kinderen (er waren er inmiddels twee) drie keer naar Oostende. De dochters konden zwemmen in zee of, als het regende, limonade drinken in het Mosselhuis of wandelen door een paar van de Oostende parken. We vonden drie keer intrek vlakbij de renbaan, in de Sportstraat, waar Joris nog langs is geweest. Het was een appartement zo scheef als de toren van Pisa en van binnen zo lelijk als iemand die lelijk is, maar toch droom ik soms nog dat ik er ben en dat we er een dag of tien zitten; wij ’s avonds in de woonkamer en in de ouderlijke slaapkamer, de kinderen in ‘het hoge bed’ (de hoogslaper), ruzie makend om de fijnste plek, die aan de rand. Het huis was geel en werd daarom ‘het gele huis’ genoemd.

De afgelopen jaren ging ik, na een pauze van een paar jaar, alleen naar Oostende, omdat het gezinsverband was verkruimeld. Elke keer naar hetzelfde appartement aan de Hertstraat. De eerste keer dat ik er kwam, had de vrouw die het verhuurde mijn boeken gekocht, en vroeg ze of ik die wilde signeren in ruil voor een mok met als opdruk ‘Shut up I’m writing’. Ik drink er nog steeds elke dag koffie uit. Als ik aankom, staat er bier in de koelkast, en hapjes; er ligt fruit in de fruitschaal, en overal waar je kijkt zijn kleine attenties aangebracht. Het is niet alleen een geweldig appartement, de man en de vrouw die het verhuren (en nu dus verkopen, lieve uitgever) zijn gastvrij tot aan de uiterste grens, zonder dat het vervelend wordt, integendeel. Deze keer hadden ze geen bier in de koelkast gezet, maar een fles wijn, omdat ik niet meer drink en ik die fles dus kan uitschenken aan mijn bezoek.

Toen ik Oostende vanmiddag herontdekte, iets wat elke keer minder ingewikkeld wordt, al zie je steeds nieuwe dingen, onontdekte hoeken, straten die toch anders zijn dan ik dacht, maakte dat geluksgevoel zich voor het eerst heel heftig van me meester en het liet me tot op dit moment, nu ik naar Zomergasten kijk, kort, voordat ik weer ga wandelen, niet meer los. Alle andere keren dat ik hier was, voelde ik me hier goed, het totale geluk is nieuw en werkt van top tot teen, met een kracht die iets heeft van sentimentaliteit, maar die minder vervelend is en (volgens mij) oprechter.

Toen ik naar de SPAR liep om boodschappen te doen, zag ik Tom Lanoye fietsen. Door de Hertstraat, ergens in de lage nummers. Ik deed iets waar ik me vervolgens een beetje voor schaamde: ik lachte hem beaat toe. Hij zag het en… lachte terug. Ik dacht nog, kom, laat ik hem staande houden en hem vertellen dat ik, nu ja, een collega ben, iemand die ook schrijft, boeken, Tom, en dat ik weliswaar minder bekend ben maar wel met dezelfde inzet werk en leef. Het ging niet, want Tom Lanoye was alweer doorgefietst en ik, ik liep door. Gelukkig was ik en ik had Tom Lanoye toegelachen.

Nu ga ik weer wandelen en, nee, nee, nee, ik ga vanavond niet alleen aan die fles wijn zitten. Want het mag niet. Al is het wel een fijne fles.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s