In Enschede en omstreken

Stan de Jong had een auto gehuurd. Een Toyota, heel klein, als je op de knop voor het ontgrendelen van de deuren drukte, gaf het hele ding een paar seconden licht uit allemaal lampen waarvan de functie mij, als niet-autorijder, volledig onduidelijk was. Eenmaal geïnstalleerd, bleek er ook een achteruitkijkcamera in te zitten en als Stan ons in beweging wilde zetten, deed het autootje eerst een keer heel hard vroem. Daarna reden wij, zij het dat we er bij snelheden hoger dan 100 kilometer ook bij schudden.

Sinds twee jaar woont Stan in Enschede, waar hij een baan heeft gevonden aan een hogeschool. Daarvoor was hij (misdaad)journalist bij HP/DeTijd en Nieuwe Revu en schreef hij een aantal non fictie-boeken. Ik herinner me hem vooral van de middelbare school, waar hij altijd zwijgend op de eerste rij zat, zoals alle andere leerlingen wachtend op het einde van het uur. Stan zei niet veel en als hij iets zei, was het zo snedig dat de leraar van kleur verschoot.

De auto bood Stan en mij de gelegenheid om twee vakantiedagen te hebben, met wonderlijke uitstapjes in de omgeving van Enschede. Daarom ben ik de afgelopen dagen in plaatsen als Denekamp (geboorteplek van Hennie Kuiper én Tanja Nijmeijer) en Oldenzaal geweest en reed ik door Ootmarsum en Ibbenbüren. Denekamp kan ik niemand meteen aanraden, al is er een fijne kerk; Oldenzaal is wel een lieve stad, al vind ik die bekende kerk daar eigenlijk minder mooi dan de kerk van Denekamp. Zo is er altijd wat.

Vrijdag was de topdag, want ondanks allerlei zeer diffuse omleidingen, deels te wijten aan werkzaamheden, deels aan gruwelijke ongelukken die zich net voor onze komst hadden afgespeeld, bezochten we twee plaatsen in Duitsland: Tecklenburg en Osnabrück. Vooral Tecklenburg is een plaatsje zoals een Duits toeristenvlekje eruit hoort te zien: overal zijn restaurants, koffiecafé’s en authentieke winkeltjes, met authentieke Duitse dingen uit de omgeving erin, het geheel dampt en sist van de Teutoonse Geest en het wemelt er van de mensen van 70 jaar en ouder, zodat Stan en ik ons, voor één keer, de vertegenwoordigers van de jongere generatie voelden.

13898586_10210293446398962_459275955_oHoewel ik niets van Tecklenburg verwachtte, en me zelfs een beetje had verzet tegen onze gang ernaartoe (ik wilde liever naar Osnabrück, om daar langer te kunnen doorbrengen), wachtte daar de grootste verrassing van de dag: het Otto Modersohn Museum, aan de Markt 9. De vereerde meester heeft in zijn jeugd enige tijd doorgebracht in Tecklenburg en nu is er dus dit museum; je kunt er naar een film over het vergane Tecklenburg kijken, je mag naar de schetsen kijken die Modersohn er maakte en er hangen wat olieschilderijen die hij maakte naar aanleiding van het stadje en haar omgeving. Het is allemaal een mengeling van gewild-modern en niedlich, zoals zo veel in Duitsland.

De vrijwilligster die ons te woord stond, zette er flink de sokken in. Binnen tien minuten wisten we alles van het museum. Dat tot niet lang geleden de woonst was van een meer dan negentigjarige dame, die nog af en toe terugkeerde naar het huis om de tuin te kunnen verzorgen. Want zo doen de mensen dat, in Tecklenburg. Ook benadrukte de vrijwilligster dat het museum uit privé-geld was gefinancierd, zonder tussenkomst van de overheid en dat er sinds eind vorig jaar al meer dan 10000 bezoekers zijn geweest. Eigenlijk is de vier euro entree een lachertje, als je het zo bekijkt. Daarom kocht ik nog twee ansichtkaarten.

In Osnabrück, dat veel kleiner was dan ik dacht, bezochten we het museum dat aan Erich Maria Remarque is gewijd. Ik had me daar van alles bij voorgesteld, maar helaas viel het tegen. Veel panelen met significante jaartallen (en foto’s van beroemdheden met wie Remarque ‘nauw contact’ onderhield), van die dingen die je zelf ook kunt opzoeken, maar weinig parafernalia uit ’s mans leven en niet echt een goed overzicht van zijn schrijverscarrière. Bovendien hangt over het geheel iets softs, want het is ook een vredesmuseum, een beetje Duits-pacifistisch van opzet; hier hing, net als in Tecklenburg, dat halve: enerzijds lijkt Duitsland een echt land, anderzijds is men er nog niet helemaal ontstegen aan de tijd van Das Rheingold.

De terugweg in het autootje duurde ongeveer half zo lang als de heenweg. Alle omleidingen waren plotseling weg. We verbaasden ons over ons eigen tempo, dat vele malen hoger lag dan in de ochtend en de middag. De goden hadden waarschijnlijk besloten dat het nu wel goed was. We hadden genoeg gezien.

p.s. Aan de markt in Osnabrück zit een restaurant dat biologisch eten van Italiaanse snit zegt te verkopen. Het kost allemaal bijna niets, maar ga er niet heen! Het is niet te doen, dat eten. Daarmee is de mythe dat je in Duitsland overal goed kunt eten helaas deels doorgeprikt.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s