Droom

Ik droomde dat ik vertrok naar een ander land. Alles was geregeld en ik was blij dat ik voorgoed weg mocht. Voordat ik ging, schreef ik afscheidsbrieven aan Renate, Leonie en Leah. Die werden niet beantwoord, maar daar ging het niet om: ik was blij dat ik de brieven had geschreven. Een schrijver richt zich op de lezer, maar hij weet nooit of iemand terug schrijft of terug wil schrijven.

Ik mocht drie koffers met spullen meenemen. Daarom was ik de week voordat ik zou vertrekken bezig met het weggooien van alles wat ik niet kon meenemen. De mensen van de kringloopwinkel namen de bank die ik vorig jaar kocht mee, een student van een paar huizen verder nam mijn kasten over. De boeken gingen voor het grootste gedeelte naar de papierbak. Kleren, welke kleren zou ik meenemen? Hoe moest ik er in dat andere land uitzien?

Toen ik mijn koffers bijna vol had, liep een jonge hond mijn kamer in. Het was een Duitse herder. Zijn ogen hingen nog naar beneden en hij keek me heel erg verdrietig aan. Ik zei: Ik ken je niet, dus ik kan je niet meenemen. Maar op de een of andere manier wist de hond zich in een van mijn koffers te manoeuvreren. Hij ging mee. Dat kon gewoon niet anders. Hij vertelde me dat hij nog geen naam had en dat hij die pas in het nieuwe land wilde krijgen. Van mij.

Mijn ouders waren verdrietig. Mijn dochters keken opzij en waren bezig om met hun vriendinnen te chatten. Of hoe zoiets ook heet. Ik zei dat het land waarnaar ik vertrok dichtbij was, dat iedereen altijd op bezoek kon komen – maar ik wist dat nu net dat niet de bedoeling was. Ik wilde na mijn vertrek geen bezoek. Ik wilde in dat andere land zo alleen zijn als ik was geweest tussen mijn zestiende en mijn achttiende, toen ik een puber was in Leveroy en dacht dat mijn alleen-zijn een uiting was van het noodlot.

Ik droomde in mijn droom dat ik een extra koffer inpakte, je wist maar nooit of je er niet toch vier mocht meenemen. In de vierde koffer deed ik foto’s, brieven die ik had bewaard, gesigneerde boeken, dingen die me ooit dierbaar waren geweest, een sjaal die ik had gedragen toen ik met Leah in Bergen was. Dingen die ik, bedacht ik, kon missen als ik ze echt niet over de grens kreeg. Ik herinnerde me alles nog. Ik kon dat fetisjisme als het echt moest afleggen. Ik was al meer dingen kwijtgeraakt dan dat ik dingen had verworven.

In het vliegtuig zat ik naast een Nederlander die zei dat hij me het komende halve jaar niet uit het oog zou verliezen. Ik was zijn persoonlijke project. Hij had geen tanden in zijn mond en bestelde om de tien minuten een glas whiskey. Ik was niet bang voor hem, maar ik zag wel op tegen de tijd die we, noodgedwongen, samen zouden doorbrengen. Ik kon hem gemakkelijk afschudden in het vreemde land. Hij viel na het ophalen van zijn bagage in slaap op een bankje in de hal.

In mijn nieuwe woning vond ik drie brieven, van Renate, Leonie en Leah. Ik herkende hun handschriften. Renate: hoekig en zo klein dat je echt je best moest doen om de letters te lezen. Leonie: rond en op het oog uitnodigend, maar na driehonderd woorden viel je toch in slaap. Leah: een zelfverzekerd (bedoeld) handschrift, waar in haast een aantal soms niet helemaal doordachte beweringen in werden samengevat. Ik opende de brief van Leah. De andere twee gooide ik weg. Ik las: ‘Waar ben je nou?’

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s