Toverformules

Soms zijn er zinnen die jaren in mijn hoofd blijven hangen en die meer lijken te omvatten dan ze op basis van hun grammaticale structuur en hun betekenis hoeven te doen. Een voorbeeld: in de advertentiekrant ViaVia las ik midden jaren negentig een tekst van een meneer uit Amsterdam Zuid-Oost die zijn erotische diensten aanbood aan alle dames van Groot-Amsterdam die ernaar haakten om eens met een echte kerel van Surinaamse afkomst tussen de lakens te belanden. Hij beschreef zijn maten nogal plastisch, maar de zin die me altijd is bijgebleven (en die ik talloze malen voor me uit heb gemompeld) is deze, de steller gebruikte hem als postscriptum: ‘Meerdere negers op afroep beschikbaar.’

Geef toe, het is een fraaie, en je ziet het weliswaar voor je, maar het geheel behoudt ook een zekere geheimzinnigheid, hoe vaak je het ook zegt. Hetzelfde geldt voor de door Johan Cruijff soms uitgesproken zin na een voetbalfout: ‘Op dit niveau mag dat niet voorkomen.’ Je kunt hem echt overal voor gebruiken, die zin, al is hij, als je er even over nadenkt, totale onzin. Maar als je hem gebruikt, klinkt hij wel streng en maak je de indruk je op een bepaald niveau te bewegen, je weet wel, het niveau waarop sommige fouten gewoon niet meer worden gemaakt.

Er zijn natuurlijk ook dichtregels die blijven hangen, maar die tellen niet helemaal mee vind ik. Die zijn ervoor bedoeld om te worden onthouden. Al kost het me moeite om niet, als ik door een park loop en een stelletje zie, te denken aan de onsterfelijke strofe van A.C.W. Staring (die me ooit door Rutger aan de hand is gedaan):

Wij schuilden onder dropplend lover,
   gedoken aan de plas.
De zwaluw glipte ’t weivlak over
   en speelde om ’t zilvren gras.
Een koeltje blies, met geur belaân,
het leven door de wilgenblaân.

Dan hoeft het niet eens te hebben geregend. De aanwezigheid van een zwaluw is eveneens facultatief, en welk merk de boom die in het park aanwezig is ook heeft, altijd denk ik aan die regels. Net zoals ik geen politicus kan horen praten zonder te denken aan het gedicht ‘De zittende politicus’ van Gerrit Komrij. ‘Natuurlijk is hij zwaar tegen geweld. / Daar klinkt verdomd weer zijn belegen lied. / Hij loopt op straat, ondragelijk rechtschapen, / En ziet nog steeds het echte monster niet.’ Daar heb je Alexander Pechtold of Mark Rutte, inclusief hun melige en clichématige reacties op de aanslagen in Nice en de ‘staatsgreep’ in Turkije. Of beter: daar heb je de dorre technocraat Frans Timmermans, die in achtendertig talen zegt dat hij bijna moet huilen.

Alle zinnen en dichtregels samen vormen een reservoir, waaruit ik dagelijks put, of moet putten. Het is het bezweren van de dagelijkse gebeurtenissen. Die hoeven niet altijd te worden geformuleerd, maar mogen soms met een toverformule worden afgehandeld. De taal schuift even tussen de werkelijkheid en de hersens, om te voorkomen dat je (bijvoorbeeld) een Turkse vlag op je profielpagina van Facebook zet, of drie uur aan het twitteren slaat over de vraag of het geweld in Frankrijk iets met de Islam te maken heeft. Het is allemaal al erg genoeg, alles wat er om me heen gebeurt, en in plaats van mijn oren dicht te doen en heel hard LALALALA te roepen, zet ik de zinnen die ik in de loop van mijn leven heb verzameld in. Het mooie is, dat er altijd meer, op afroep, beschikbaar zijn.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s