Dichters van het nieuwe millennium (2): het veld

Dit is een vervolg op ‘Dichters van het nieuwe millennium (1)’.

9789460042669_Dichters-van-het-nieuwe-millennium1-1024x918De redacteuren en schrijvers van DvhNM hebben het maar lastig met ‘het veld’. Welke dichter hoort waar thuis en hoe kan men hem zo goed mogelijk plaatsen? Daar ligt geen wetenschappelijke interesse aan ten grondslag, dat is een vorm van machtsdenken waar de gemiddelde academicus weliswaar tegen hoort te zijn, maar waar hij toch af en toe aan meedoet omdat hij er een beetje opgewonden van raakt. Marc van Oostendorp (ooit gratis professor in Leiden omdat het Meertensinstituut zijn salaris doorbetaalde, want ook ijdelheid is niet alle wetenschappers vreemd) toont dit dilemma mooi in zijn ‘recensie’ op het boek (hier te lezen). Deze is verpakt als lofzang, maar de close-reader die door alle wateren is gewassen ziet hoe de landmijnen die hij zelf aanlegt een voor een ontploffen.

Het diepe verlangen naar een overzichtelijk veld is in wezen reactionair. De wetenschappers die een periode in kaart willen brengen staan met lege handen als de methodes die ze zijn aangeleerd ineens niet meer kloppen – als er bijvoorbeeld ineens internetkrantjes worden opgericht die niet onder redactie staan van alweer dezelfde groep semi-professionele netwerkers of vreugdeloze dichters die, waar het de zichtbare gedeelten van hun activiteiten betreft, vooral op weg zijn naar poëziefestivals in verre Zuid-Amerikaanse landen. Daar is, zoals bekend, de cocaïne goedkoop en het risico op hepatitis (a-c) reëel. Dat verklaart ook het constante gebeuk van bijna alle auteurs op kritieken van ‘officiële’ zijde en het aan de lopende band gezellig opsommen van nominaties en gewonnen prijzen. Het veld is vooral een netwerk, en het netwerk verschaft de wetenschapper reden van bestaan: het is WC-eend in optima forma.

Laat ik de landmijnen die Marc van Oostendorp heeft verstopt in zijn tekst eens opgraven, in de van mij zo bekende en op vele plekken geroemde goedheid des harten. Hoewel, echt ingewikkeld is het niet, want het stuk van Van Oostendorp bestaat alleen uit landmijnen: eigenlijk is alleen de alinea dat hij aan Van der Starres beschouwing over Lieke Marsman wijdt redelijk positief, zij het onzinnig, en in de laatste twee alinea’s probeert Van Oostendorp de meubels die hij eerst zelf door elkaar heeft gezet weer een beetje leuk te reorganiseren. Misschien vindt hij er wel niks aan, aan dat boek, maar dat kan Marc natuurlijk niet hardop zeggen, dat zou slecht zijn voor zijn positie in het veld. En er staan ook een paar echte hoogleraren in de bundel opstellen en voordat je het weet zijn die boos op hem – en wat dan? Dan zijn de rapen te ver doorgekookt.

En zelfs in zijn lof is Van Oostendorp niet zo heel handig. Want wat hij ziet als een voordeel (dat er auteurs zijn aangezocht uit andere gremia dan de cultuurwetenschappen) is alleen een bewijs dat ‘het veld’ vooral bestaat uit vriendjes en vriendinnetjes (en subsidiegevers); dat ‘het veld’ dus wel degelijk bestaat, maar vooral is georganiseerd op basis van de gunfactor die de drie Raspoetins-in-opleiding aan sommige wetenschappers plakken of moeten plakken. Ziedaar de onoplosbare paradox van deze wetenschappers, die geen wetenschap kunnen bedrijven omdat zij niet in staat zijn zonder ongeschreven wetten en voorschriften te kijken naar de vijftien jaar die ze zeggen objectief te willen beschrijven. ‘Het veld’ is er wel, het mag alleen niet zichtbaar worden – al schijnt het overal doorheen. De mooiste zinnen van Van Oostendorp zijn in dit verband deze:

Je ontdekt in zo’n boek altijd wat nieuws. Ik neem aan dat in ieder geval alleen echte aficionado’s al het werk van alle behandelde dichters kent; ik had in ieder geval nog nooit van Xavier Roelens of Lies Van Gasse gehoord, maar dankzij de artikelen van Laurens Ham en Anja de Feijter wil ik dat vooral goed maken.

In de wereld van Dera, Posman en Van der Starre zijn Roelens en Van Gasse grote namen, niet alleen om hun werk (dat niet erg veel voorstelt), maar vooral om de invloed en de netwerken die ze vertegenwoordigen binnen de erg kleine poëziewereld. Van Oostendorp weet gewoon niet wie Roelens en Van Gasse zijn, omdat hun werk niet in staat is geweest om de drempel van zijn leesdrift te overschrijden. De plek die beide dichters in DvhNM innemen bewijst dat de samenstellers grotendeels hebben ingezoomd op een ‘veld’ dat zo klein is dat de gemiddelde lezer (en, vooruit, Van Oostendorp is een iets meer dan gemiddelde lezer) nooit ziet. Niet alleen omdat het te klein is. Hij ziet het niet omdat het er gewoon niet is. Hun wetenschap wordt daardoor een vorm van fictie. Iets wat ik, hoewel ik al door het post-modernisme ben heengegaan, in bepaalde gemoedstoestanden misschien wel kan waarderen.

Advertenties

3 gedachtes over “Dichters van het nieuwe millennium (2): het veld

  1. Pingback: Doorheengaan, voorbijgaan – Na ‘het’ postmodernisme – Klecks

  2. Pingback: Dichters van het nieuwe millennium (3 en slot): Het blonde beest – Weblog van Chrétien Breukers

  3. Pingback: Dichters van het nieuwe millennium: evenementen en recensies | Kila van der Starre

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s