Lezen (89): Marnix Gijsen

421308Jan-Albert Goris leefde van 1899 tot 1984 en ging ruim vijfenzestig jaar daarvan door het leven als Marnix Gijsen. Vanaf 1919 als dichter en sinds eind van de jaren veertig ook als prozaschrijver. Toen ik op de middelbare school zat, was hij als oud nieuws. Niemand las hem, al waren er leerlingen die Het boek van Joachim van Babylon op de lijst hadden staan. Volgens mij waren er van dat boek geen exemplaren (meer) aanwezig in de bibliotheek; men gaf de samenvattingen aan elkaar door. Ik herinner me dat ik Goed en kwaad ooit heb gelezen, maar waar het boek over ging zou ik niet meer kunnen navertellen. Op mijn lijst was het niet terug te vinden.

Eind jaren zeventig onthulde Jeroen Brouwers dat het proza van Gijsen (en andere Vlaamse beroemdheden) altijd behoorlijk was bijgepunt, of eigenlijk: totaal herschreven, door onder meer Jan Greshoff en Brouwers zelf, die tijdens zijn jaren bij Manteau het genoegen had gesmaakt om met de Zeer Beroemde Vlaamse Schrijver in contact te mogen treden. Na de onthullingen noemde meneer Gijsen Brouwers ‘crapuul’ – de liefde was na het doorbreken van de zwijgplicht over. Ik vond het vreemd dat zoiets zomaar gebeurde, in die jaren had ik nog een zeer hoge idee over wat literatuur was en zou moeten zijn, en van schrijvers verwachtte ik dat zij hun woorden rechtstreeks, zonder tussenkomst van redacteuren, aan het hogere ontworstelden. Op eigen kracht dus.

Ik herinner me een positief bedoeld stuk van Arnon Grunberg over Het paard Ugo en, vooral, De kroeg van groot verdriet. Toen ik het gisteravond opzocht, bleek het online te lezen te zijn. Grunberg typeert Gijsen heel aardig en is ook niet blind voor ’s mans schrijf-eigenaardigheden, die allemaal samen lijken te hangen met zijn persoonlijkheid. Gijsens ik-figuren zijn zonder uitzondering zeer geleerde heiligenbeeldjes, die de wereld met een arendsoog bezien en daarbij vooral veel aandacht hebben voor de splinter in andermans oog. De wereld van Jan-Albert wordt bevolkt door mensen die je nog met geen tang wilt vastpakken, zelfs al zou je er geld bij toe krijgen, maar Gijsen heeft de goedheid, en het hart, de noblesse zou je kunnen zeggen, om ze in zijn boeken te vereeuwigen.

Deze ‘aristocratische’ houding is ook aanwezig in Klaaglied om Agnes, het tweede boek dat ik met dank aan NS-vertragingen kon lezen op mijn telefoon (Een nagelaten bekentenis was het eerste). De hoofdpersoon ziet neer op het bedrijf der werkmieren. Het geheel is een potje vol met broeierigheid, die wordt aangelengd met enig moralisme, waar Gijsens hoofdpersoon niet vies van is. Opvallend is hoe de auteur zijn nationalisme, waar hij ‘in het echt’ wel van was gecharmeerd, in het boek bijna geheel weet weg te moffelen, alsof de auteur zich ervoor schaamt en het daarom ook weghoudt bij zijn ik-figuur. Hetzelfde geldt voor het strenge katholicisme: het wordt bespot en tegelijkertijd merk je dat worsteling met God nog niet voorbij is. In dit verband is het niet gek dat de seks helemaal geen rol speelt en volledig wordt onderdrukt. De ik-figuur en zijn Agnes, de plaatsvervangster van zijn jonggestorven zusje op aarde, moeten rein zijn.

Eigenlijk is Klaaglied om Agnes een irritant boek. De gesublimeerde, maar overal doorheen sijpelende moralistische toon, het afstandelijke van de hoofdpersoon, een afstandelijkheid die een diep-gevoelde haat jegens alles en iedereen die in de weg zit moet verbloemen, het naïeve idealisme, het net niet gelukte fin de siècle-sfeertje dat Gijsen wil oproepen… het is het, als je er goed over nadenkt, net niet. En toch vond ik het een mooi boek, gek genoeg. Gijsen kan een ding namelijk heel goed: schrijven alsof hij je even, terloops, een verhaal komt vertellen; hij zit gewoon naast je en luister nu eens wat hem is overkomen… hij had een zusje en die stierf vroeg, ze heette Agnes… en zijn eerste grote liefde, die hij ontmoette in de parochiezaal, heette ook Agnes, is dat niet toevallig? En met die Agnes is van alles gebeurd, luister maar…

In een dumpzaak kocht ik, voor een euro Amerika en ik. Daarin staan drie van zijn ‘Amerikaanse romans’, waaronder De kroeg van groot verdriet, waarover Grunberg zo lovend is. Ik ga Gijsen nog een tweede, of eigenlijk: eerste kans geven. Je moet sommige boeken gewoon op het goede moment lezen en wie weet is dit mijn Gijsen-moment.

NB: Jammer genoeg is dit boek bij DBNL alleen beschikbaar als PDF, wat de leesbaarheid niet vergroot; Epubs zijn gemakkelijker. Ook wil ik heel even klagen over de vele fouten in de e-boeken van DBNL, die soms lijken te zijn overgetikt door zoogdieren met twee linkerpoten die door een dyslectische afasie-patiënt aan een training op het herkennen van het woordbeeld zijn onderworpen. Maar dit is een detail, al vind ik dat iedereen bij DBNL zich hier diep voor zou moeten schamen – om er vervolgens iets aan te doen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s