Fred Papenhove, fenomeen

papenhoveToen uitgeverij Holland de Windroos-reeks in 2004 nieuw leven inblies, en toen bekend werd dat ik de redactie zou gaan voeren en veel ruimte bood aan debuutbundels, veranderde de dagelijkse postbezorging in een martelgang, ook voor de postbode. Aanvankelijk vond ik het wel charmant dat er elke dag vier of vijf manuscripten in de gang belandden (vier of vijf keer hoorde je dan ‘bonk’ en daarna werd het ijzingwekkend stil), maar na twee maanden geloofde ik het wel en werd een stop op papieren inzendingen ingesteld. De meeste, of zeg maar bijna alle, ongevraagde inzendingen waren de moeite van het lezen niet waard en moesten worden geretourneerd.

Op één na. Op een dag bezorgde de inmiddels met een hernia rondlopende postbode een envelop, gericht aan De heer C. Breukers, met daarin een keurige (blauwe) map. Die map bevatte gedichten van ene Fred Papenhove, die in een begeleidende brief aan alweer de (zeer geachte) heer Breukers uiteenzette wat hem had gedreven om mij aan te schrijven. In zijn brief beleed Papenhove tevens zijn grote liefde voor zijn grootste vriend John Schoorl, en of ik wist dat deze man journalist was bij de Volkskrant. Het was allemaal keurig gedaan, inclusief retourzegels, en Papenhove had niet het brutale van veel inzenders, die meestal eigenlijk alleen maar informeerden wannéér hun bundel zou verschijnen, en die na een afwijzing soms tot doodsbedreiging overgingen.

Ik vond de helft van de gedichten die Papenhove had gestuurd goed, de andere helft niet. Daarvan stelde ik hem op de hoogte. Ik verwachtte de gebruikelijke gepikeerde reactie, maar die bleef uit. Papenhove bleek meer iemand van het halfvolle glas. Ik kreeg een brief die zo enthousiast was, en zo ontwapenend, dat ik inging op zijn verzoek om elkaar eens, ‘onder het genot van een glas van het een of ander’, te ontmoeten. Ik zie ons nog zitten, op een zonnige dag, ergens onder de schaduw van de Dom. Volgens mij dronken we rosé. Ik kon me nog net op tijd voor het avondeten losmaken uit zijn enthousiasme.

Papenhove is in het echt hetzelfde als in zijn werk: een mengeling van directheid en invoelendheid. Hoewel hij best zal kunnen liegen, ontsnapt er geen onoprecht woord aan zijn lippen. Hij pakt je in, maar geeft je wel het gevoel dat je je vrijwillig hebt laten inpakken. Wat de afspraak precies was, weet ik niet meer, maar vanaf die dag kreeg ik regelmatig nieuwe gedichten van Fred (ik mocht inmiddels Fred zeggen) en bouwden we aan zijn debuutbundel.

Die verscheen in 2005 in de Windroos-reeks en heet De rode soldatenvis = Poison soldat-rouge. Een van mijn favoriete gedichten is nog steeds ‘Naaktstudie’:

Als de sterren helder aan de hemel staan
zie ik de houten schuttingen van mijn buren
scherper dan ooit (het zijn er drie),

evenals de cyperse katten – ze houden er in deze buurt
geen ras op na – die sluipend plaatsnemen op uitbouwdaken
loerend naar schaduwen, vogels & ander wild.

Geluiden hoor ik ook veel beter, terwijl ze bij mij normaal
gesproken het ene oor in en het andere oor uitgaan, net als
een heleboel andere zaken.

’t Is alsof het universum groter wordt wanneer
de sterren helder aan de hemel staan.

Binnenshuis staat een fles Amontillado klaar: een droge &
goedkope Spaanse sherry.

Nadat ik bij uitgeverij BnM nog een bundel van Fred had gebracht, begon hij zijn lange mars langs de Nederlandse uitgeverijen: bundel drie verscheen bij De Geus, bundel vier bij Van Gennep en bundel vijf vorig jaar bij In de Knipscheer. Het is bijna conceptuele kunst: elke bundel uitgeven bij een andere uitgeverij. Bundel vijf heet Rechte paden doen ons niets en andere gedichten en ik zat er gisteravond nog eens in te lezen.

Het boek ‘gaat’ over twee broers, of broeders/vrienden, waarvan er een is verdwenen of gestorven. Tenminste, dat denk ik (en John Schoorl is het niet, die leeft gewoon nog). In korte gedichten, en ik vind Papenhove eigenlijk op zijn best in korte gedichten, roept hij een wereld op tussen jonge mannen, een wereld die al heel lang bestaat, sinds hun kindertijd, en die het magische van kindervriendschappen heeft behouden. Het is allemaal echt en niet-echt tegelijk. De slotcyclus heet ‘Niet getreurd’ en eindigt met dit typische Papenhove-gedicht. In plechtstatige, gespeeld-naïeve zinnen krijgt hij het voor elkaar om je te laten voelen wat er, ondanks de titel van de afdeling, door hem is gedaan: getreurd, om het verlies van een dierbaar persoon en een gezamenlijke wereld.

Er gaat een huivering door ons heen.
Weinig is zo fijn als ’s avonds in de auto
stappen. Het monotone geluid van de
motor geeft een prettig gevoel.

Zorgeloos rijden we ergens op aan,
de ene keer is het dit, de andere keer
dat, voordat we er zijn draaien we om.

Vooral als de wegen helder verlicht zijn
verandert dit ons gemoed. Er komt iets royaals
naar boven, alsof we tot het ochtendgloren
door kunnen rijden en de werkelijkheid er niet
meer toe doet.

Advertenties

Een gedachte over “Fred Papenhove, fenomeen

  1. Pingback: «Fred Papenhove, fenomeen.» – Chrétien Breukers – Uitgeverij In de Knipscheer

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s