Die langzaam, onbestemd wegdreven op ijsschotsen

In 2012 verscheen bij de inmiddels verdwenen uitgeverij Compaan De vijftig beste gedichten van Wim Brands. Ik koos de gedichten en schreef er een nawoord bij. In februari 2014 verscheen een herdruk van het boek, die nog steeds te koop is. In de betere boekhandel én online. Hieronder mijn nawoord:

In poëzie kan heel veel gezegd worden, maar nog veel meer verzwegen. De poëzie van Wim Brands bevindt zich ergens op de grens tussen zeggen en zwijgen, alsof de dichter nog niet goed kan (of wil) kiezen wat hij gaat doen. In het gedicht ‘Stoet’ op bladzijde 27 beschrijft hij zijn poëtische procedé, volgens mij.

Een man staat in ‘een stoet’, waarin we een begrafenisstoet herkennen. Of denken te herkennen, maar dat is bij Brands vaak hetzelfde. De man vindt zijn plek in deze stoet, maar die is altijd ‘naast een man of vrouw / alleen // die ik vraag wanneer / de overledene // voor het eerst in zijn / haar leven verscheen.’ Zelf heb ik (nog) weinig ervaring met rouwstoeten, maar ik kan me voorstellen dat je even vreemd staat te kijken als je dit overkomt. Het een vraag die, ondanks de gewone toon, in de meeste gevallen vrij lastig, om niet te zeggen onmogelijk te beantwoorden zal zijn.

De poëzie van Wim Brands bevindt zich ergens op de grens tussen zeggen en zwijgen, en ondertussen stelt zij moeilijke, bijna niet te beantwoorden vragen. De man, in wie wij hier de dichter willen zien, neemt geen deel aan het gesprek. Althans: ‘en zwijg tot na de koffie; / en na een laatste knik // ben ik altijd de man / die verdween.’ Die man die verdween, na een lastige vraag te hebben gesteld, heeft in zijn gedrag iets weg van een engel.

Engelen zijn geen mensen, geen goden, ze zweven letterlijk tussen de hemel en de aarde. Voor eeuwig, in een uitgestrekte tijd, die geen tijd meer is. Hoewel we dat voor eeuwig misschien toch moeten relativeren, want Brands schrijft in het gedicht ‘Sinds vanochtend weet ik waarom engelen soms verdwijnen.’: ‘Weet je hoeveel kilometer het naar de maan is? / Als engelen dat aantal hebben gevlogen verdwijnen ze.’

Maar de dichter is ook een man, iemand die zich in de wereld bevindt en ergens naar op weg is. Desnoods naar nergens, zoals in het gedicht ‘De jas’, waarin de ‘s avonds door de stad lopende dichter, die een oude jas (van zijn vader?) aan heeft getrokken, een gesprek heeft met de schim van zijn overleden vader: ‘Waar ga je heen? “Nergens heen.” “Dan gaan we dezelfde kant op.”.’

Ik denk dat we hier op de kern van Brands’ dichterschap uitkomen. De dichter, een man die op weg is, wordt begeleid door de schim van zijn vader, terwijl hij gehuld is in de oude jas van diezelfde vader. En hij is onderweg naar nergens.

De poëzie van Wim Brands bevindt zich ergens op de grens tussen zeggen en zwijgen, en ondertussen stelt zij moeilijke, bijna niet te beantwoorden vragen die worden gesteld door een dichter die het gedrag van een engel overneemt en onderweg is naar nergens, begeleid

door de schim van een dode vader. Deze tocht heeft een heroïsch karakter. Een zwijgende man die, weinig woorden uitsprekend, onderweg is naar nergens, of misschien: naar het niets waar zijn vader al jaren woont, dat doet al bijna denken aan een scène uit een western. Clint Eastwood, die na een ‘overwinning’ naar huis gaat, waar niemand op hem wacht.

Brands zet al deze dingen neer in ‘eenvoudige’ taal. Dat is, volgens mij, niet zozeer een keuze, maar een noodzaak. De onzegbare dingen laten zich alleen vangen in heldere taal, anders wordt de afgrond al gauw een troebel moeras, of een snelweg naar Vagenstein.

In een ongepubliceerd gedicht heet het: ‘zoals een bril of een riem die je overal in huis zoekt / zich in je jaszak bevindt.’ Het is precies dat ‘vinden’, dat in deze gedichten gebeurt, al raak je alles wat je vindt onmiddellijk kwijt, of anders bevindt het zich wel heel erg ver weg, – en in het beste geval verdwijnt het net uit het zicht: ‘(…) alsof de woorden ijsberen waren die langzaam, onbestemd wegdreven op ijsschotsen. (…)’

Biedt Brands dan geen… troost? Misschien, maar ik denk dat die ‘troost’ in Brands’ werk niet wordt ontvangen, maar (zwijgend) gegeven. Zoals in het gedicht ‘Gebed van een zoon’ (een mooie definitie van Brands’ werk) waarin na de beschouwing van een werk van Kabakov wordt gedacht: ‘(…) dat ben ik. / Reikend naar mijn verre vader. // Laat dit dan mijn gebed zijn: // If equal affection cannot be, / let the more loving one be me.’

Dit is iets, het liefhebben van je dode vader, dat alleen engelen doen. Soms. Misschien is het werk van Brands daarom zo ‘ingehouden’ en beweegt het zich daarom op de rand tussen zeggen en zwijgen. Als de tijd tussen iemands dood en je eigen naderende dood te groot wordt, is het beter om de tijd zo nu en dan eens stil te zetten. Bijvoorbeeld in een gedicht waarin met man en macht wordt gezwegen.

brands

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s