De hond op het balkon

SAMPO-IJSBREKERGisteren zat ik met Rob van Essen op het terras van de Ysbreeker. Het was druk en de vrijdagmiddagstemming hing boven het terras. We aten, dronken alcoholvrij bier (o tempora, o mores!) en praatten. De zon liet zich af en toe zien en soms verdween zij achter de wolken. Het licht was elk moment anders en elk moment bijzonder. De atmosfeer had er zichtbaar zin in.

Na de maaltijd wandelden we door de Pijp. Dat is ‘mijn’ oude buurt: tussen 1994 en 2000 woonde ik aan de Govert Flinckstraat. We staken de Amstel over en liepen via de Ceintuurbaan naar het Sarphatipark. Toen ik in deze wijk woonde, vond ik dat een somber geheel, maar gisteren werkten het licht en de aangename stemming die de bijeenkomst bij me teweegbracht met elkaar samen om het geheel iets sprookjesachtigs te geven. Hier wilde ik, nu, wel wonen.

Als ik een schrijver was met literaire bedoelingen, zou ik zeggen dat de wandeling werkte als een ijsbreker die de weg vrijmaakte door een zee die ik lange tijd voor onbereikbaar had gehouden. Maar het was eerder alsof die herinneringen recht op me af  kwamen gevaren en daarna, zonder al te veel schade aan te richten, door me heengingen.

De straten en de meeste gebouwen zijn er nog. Toch kwam het regelmatig voor dat een van ons zei: ‘Hier had je vroeger een bank’ of ‘In dit gebouw zaten vroeger geen winkels’ of ‘Ze hebben er de zandstraal eens flink overheen gehaald’. De tijd die ik in de wijk doorbracht werd me als het ware vanaf een veilige afstand, meer dan vijftien jaar, aangereikt. Ik kon er naar kijken en ik maakte er geen deel meer van uit. Ik hoefde er niks meer mee.

Toen we voor mijn woning aan de Govert Flinckstraat stonden, voelde ik: niets. Of in elk geval niet veel. Toch had ik het idee dat ik de sleutel maar uit mijn zak hoefde te halen om de voordeur open te kunnen doen. De betonnen traptreden lagen er nog net zo bij als in 2000 en mijn vroegere buurman was, afgaand op de naambordjes, niet verhuisd. Ik zou mijn eigen voordeur open kunnen maken, of ik zou eerst nog even op mijn balkon kunnen gaan staan, driehoog, met een mooi uitzicht over de hele straat richting de Ferdinand Bol.

Ik vertelde over het huis, over hoe mooi ik er had gewoond, want dat is ook zo: ik heb er mooi gewoond. Ik ging aan de overkant van de straat naar het gebouw staan kijken. Andere verhalen die me te binnen schoten, liet ik achterwege. Het verhaal over hoe Renate in de eerste, turbulente jaren van onze verhouding een stapel brieven die ze aan me had geschreven uit het raam van de slaapkamer gooide, in de tuin van de benedenburen. Over hoe ze de volgende ochtend, toen de ruzie was bekoeld, bij die buren moest aanbellen om die brieven terug te vragen. Het had niet geregend en de brieven waren nog allemaal intact.

Op de hoek van de Amstel en de Ceintuurbaan hadden we aan het begin van onze wandeling een hond gezien die was buitengesloten. Hij stond op het balkon, met zijn achterste naar ons toe, en keek naar binnen. Af en toe kwispelde hij met zijn staart, als hij iets zag bewegen. Hij wilde dolgraag naar binnen, maar het mocht niet. Hij legde zelfs een keer zijn pootje op het glas en tikte er voorzichtig tegen, alsof hij aanklopte bij zijn eigen huis. Op de terugweg, richting Amsterdam Amstel om de trein naar Utrecht te halen, was hij weer binnengelaten.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s