In een auto zitten

Ik droom dat ik in een auto zit. Leah en ik zijn op weg naar Bergen. Zij rijdt. Het is heel zonnig. Alles wat zich buiten de auto bevindt, lijkt overbelicht, alsof het er niet echt is, alsof iemand ons in een film heeft gezet; ik draai, als een gebedsmolen, mijn repertoire aan verhalen af. Leah let op de weg. Af en toe leg ik een hand op haar knie.

Leah kan autorijden en dat is heel erg aantrekkelijk. Ik heb geen rijbewijs. Ooit kreeg ik twee proeflessen van mijn broer, in zijn eerste auto. Een rode mini. Toen ik die een paar keer bijna in de sloot reed, hield ik het voor gezien. Ik wil, als ik ergens naar onderweg ben, kunnen lezen. Als ik niet lees, wil ik verhalen vertellen. Leah zegt dat ik mijn mond een keer moet houden, ze kan de stem van de TomTom niet verstaan.

Als we Bergen-binnen inrijden, we gaan lunchen bij het Huis met de Pilaren, verandert het dorp in Oostende. Op de Groenmarkt moeten we omdraaien. De parkeergarage is helemaal vol. Leah moppert dat je er niet meer van op aankunt, van steden. Die veranderen terwijl je op reis bent en niet langer pas nadat je er bent aangekomen.

Ik vertel Leah dat ik elk jaar een week in Oostende verblijf. Aan de Hertstraat. Elk jaar in hetzelfde appartement, dat iets te groot is voor mij alleen. Maar als we er nu toch zijn, is het ideaal voor ons. We kunnen zelfs, als we dat willen, bezoek ontvangen. Het is werkelijk ideaal. Kijk maar: het weer, de locatie, en ik wil je graag een paar plekken laten zien die belangrijk voor me zijn. We kunnen ook met de kusttram verder naar beneden zakken, richting Frankrijk.

Leah schudt haar hoofd. Nee. Ze wil eerst de auto parkeren en iets eten. In Bergen. Niet in Oostende. Het moet gaan zoals we ons hadden voorgenomen. We rijden rond, eerst door Oostende, dan in de omgeving; ik zie de zee aan mijn rechterkant. Na een uur komen we in een uitgestrekt duinlandschap, bezaaid met vakantievilla’s. Het hele landschap om de villa’s heen is begroeid met gras, mooi groen gras, als van een voetbalveld of een golfbaan.

Als we eindelijk een plek hebben gevonden en de auto stilstaat, is Leah weg. Nee, ze is niet zozeer weg, ze is niet langer in de auto. Ik weet dat ze ergens is. Niet in Oostende. Niet in Bergen. Niet in de auto. Maar ergens. Ik zit op de passagiersstoel en bedenk wat ik kan doen. De kusttram nemen naar Oostende en vanaf daar met de trein terugreizen? Ik heb geen idee waar de kusttram hier stopt.

Ik zie dat Leah de sleutels in het contact heeft laten zitten. Op die manier heeft ze me de oplossing aan de hand gedaan. Ik stap uit, loop om de auto heen, open de deur en ga achter het stuur zitten. Voor het eerst in mijn leven zit ik achter het stuur van een auto zonder te twijfelen. Ik ga de auto terugbrengen naar Leah. En ik draai het contactsleuteltje om en ik doe precies wat ik moet doen. Ik rij weg.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s